 | “Witte
Reiger.
Toen ik onlangs, samen met mijn vrouw, terug kwam van het
Korenfestival en de Slag om het Wiede te Giethoorn hadden we een
bijzondere ontmoeting met een zilverreiger. Ter hoogte van het nieuwe
stukje reservaat (hoogwaterzone) van Natuurmonumenten stond onze
vriend aan de kant van de rietkraag. Voor iedereen goed te zien.
Deze geheel spierwitte vogel met z’n geel en zwarte
snavel is een
bewoner van het Donaugebied en is vroeger
vanwege z’n lange veren
vervolgd. Nu komt deze vogel
dus ook al in Nederland voor.
Hij
kan even groot worden als de blauwe reiger ca 90 à
100 cm. Het dier
is een bewoner van meren, lagunes,
rivieroevers en moerassen en heeft
nu bij ons z’n draai
gevonden. Het is een z.g. koloniebroeder die
nestelt in de
rietvelden en hij vist evenals de blauwe reiger in
ondiep
water. De grote zilverreiger wordt ook wel grote witte
reiger
genoemd (latijn: egretta alba alba). Andere witte
reigers zijn de
kleine zilverreiger 56 cm (enkele broedgevallen) en de koereiger 51 cm
(ook enkele broedgevallen). Ook deze kleinere reigers komen dus wel in
ons land voor, zoals in Zuidelijk Vlevoland. Alle witte reigers zijn
van origine tropische of subtropische vogels. Maar de meest opvallende
van de drie is wel de grote zilverreiger met z’n opvallende rustige
vleugelslag.
Naar
alle waarschijnlijkheid hebben een drietal paartjes van deze mooie
vogel in het Aukengebied gebroed. Trouwens ook lepelaars en
kraanvogels zijn daar niet onbekend.
Bron:
IJsselhammer nr.18, 27-09-2004
|
 | “Streektaal”.
Samen met Geesje Oord, Hillie Wardenier, Roely Bouwer en Lute Bouwer
werkte professor Jaap Spa aan een streektaal grammaticaboek. Dan kom
je veel mooie dingen tegen.
Oudere mensen hebben soms van die prachtige gezegden of uitdrukkingen
die bijna niet in het Nederlands zijn te vertalen. Hier volgen er
enkele:
”Mit een old uus en een jonge vrouwe eit altied drok”.
”Ik wil doar gien uutbrenger van wezen” (Ik wil dit niet gezegd
hebben).
”Kleur bi’j kleur” zee de bakker en hi’j gooide een rotte
keutel bi’j de
krenten.
”t Is waeter en vuur”, zee
‘t olde wief en toen piste ze in de teste.
”Doar eur ik joe “ zee dove Jouk en toe leup er een muus over de
heuizolder mit de klomp’n an.
”Ze emmen hum e vunden, onder een ieke mit de rieme om de hals em
mit de broek van’t gat.” “Of ef hi’j um oppehöng’n.”
“Nee, hi’j zat
te skieten”.
”Die ef de rittel in ’t gat”.
”Goed weer veur de laite kikkers”
”Hi’j glimt as een peerdekeutel in de moaneskien”.
”Loop en schiet’n ië, daor geloof ik niks van”.
”Die ef alles an de konte”.
”Krek Aole weer een bigge”.
”Mak staar’m ast niet woar is”.
”Hi’j is onderaomde te passe west”.
”Ie kunn’n er wisse van wezen, die is uut de broek ewest”.
”Hi’j goat niet in de bienen, want hi’j is an de loop”.
”Een bek as een biele”.
Bron:
IJsselhammer nr 17, 13-09-2004
|
 | “De
gebroeders Eeker"
van
de
zaanden
(anno1900).
|
door
Lute Bouwer.
De vrijgezelle gebroeders Eeker waren mannen van de wereld en zaten goed
in de slappe was. Een vreemd stel die beide broers, die in hun jonge jaren
in de Kikkerij woonden. Het waren mannen met geld en vrienden.
Ze raakten aan lager wal en trokken zich terug op hun
laatste grond aan de Stijnengracht op de kruising met het “Heldere
Gat”. Het “Heldere Gat” was de verbinding tussen Stijnengracht,
Stijnen/Thijssensloot en Steenwijker diep en kwam daarop uit ter hoogte
van het huidige Scheerwolde. De broers waren intussen door de vele
tegenslagen aan de drank geraakt en waren met hun geld ook hun vrienden
kwijt. De enige mensen die nog met hun omgingen waren familieleden. Zoals
alle mensen destijds waren ook de broers gefrustreerd, want de taxateurs
taxeerden de gronden in en om Halfweg als “onland”, van weinig waarde.
Vele Gietersen, Dwarsgrachter, Muggenbeters, Weteringers en Halfweggers
hadden hier een weiland, hooiland, veenland, rietland en visgrond.
Onland
”Grond die te weinig opbrengt”. Hoe verzinnen ze het! En dat van een
zandhoogte met een dik spit veen erop. De ontginners waren er later
bijzonder gelukkig mee. Ze hebben er vrachten zand weggehaald voor het
egaliseren van de akkers in de omgeving en voor de aanleg van wegen. Maar
daar rekenden de taxateurs geen cent extra voor. Ze keken bij de
waardebepaling alleen naar het opbrengstvermogen. Dat je op een stuk
veengrasland vee kon laten weiden begrepen ze. Dat een aangrenzende hoek
waarop nauwelijks iets groeide jarenlang voldoende turf opleverde voor
vele gezinnen zagen ze over het hoofd.
”De Zanden” waren verreweg de populairste gronden. Ze waren ook
eigendom van de broers Hendrik en Volken Eeker die weer verhuurden aan de
familie Eeker, Timmerman uit Muggenbeet en Gieterse boeren. Voor zo’n
honderd gulden de bunder ging de grond naar de staat. En de rentmeester
der Domeinen zei: “De honden” (boeren, rietsnijders, verveners en
vissers) blaffen, maar de karavaan trekt verder. De broers Eeker werden
steeds eenzamer en zonderling. Ingenieur Cornelis Pieter van de Berg
(1910) vertelde mij over hen en het land van Eekers: “Het
gemakkelijkst” voor mij waren de “zanden” in de buurt van de Jan van
Nassauweg, want daar zat het zand erg hoog. Vaak grote percelen van soms
wel zeven hectare. Toen ik het uitzette waren er akkertjes met dopheide en
wulpennesten. Van achter de ramen hielden de Eekers mij in de gaten
(1928-1938). Ik had daar veel werk want er moesten veel bruggen, dijken,
duikers en gemalen worden aangelegd. Daar te midden van dopheide en
pijpestro hadden Hendrik en Volken hun nederig optrekje. Toen de ene broer
ziek werd en z’n bed niet meer uit kwam, moesten er maatregelen
getroffen worden. Op een gegeven moment kreeg de plaatselijke postbode
“Peter de bode” de vraag of hij voor een oude binnenband kon zorgen.
Daarvan werd een “plasconstructie” gemaakt waarmee de oude man
rechtstreeks vanuit de bedstee naar buiten kon plassen. Toch modern voor
die tijd dus, denk maar aan het huidige plasgootje voor vrouwen. Volgens
Gieterse zegslieden kwam na enige tijd de vraag of de postbode de band kon
lappen. Die wilden het verhaal waarschijnlijk nog mooier maken. Hendrik
overleed het eerst en enige jaren later Volken. Volken, stijf van de
reumatiek en slecht ter been, bracht z’n laatste tijd door op een
woonboot bij familie aan de Dwarsgracht. Oud Gietersen, Dwarsgrachters,
Muggenbeters en Halfweggers kwamen nooit weer terug naar hun vroegere
bestaansgrond.
De tragiek van de ontginning.
Bron:
IJsselhammer nr.18, 27-09-2004
 | “Het voetveer van Halfweg”.
Het
voetveer van Halfweg was tot 1938 een belangrijke schakel tussen het
fietspad langs de Woldlakeweg richting Oldemarkt Paasloo en het
fietspad van Steenwijk naar Blokzijl langs het Diep. Onderweg
passeerde men dan het kerkje van Scheerwolde, wat watermolens en wat
vervenershuisjes. Daar is er nu nog maar eentje van te vinden. Wanneer
je over het Steenwijkerdiep gezet was kon je je weg vervolgen richting
Eind van Diep, Steenwijk of Giethoorn.
Zo rond 1920 had Egbert Eeker daar een overzet en vanaf 1935
Pieter de Lange. Mensen die van dit veer gebruik maakten
waren
vooral "vremden",
want de inwoners van Halfweg hadden allemaal
zelf één of meer boten. Het waren dan ook vooral
turfmakers
(o.a. uit Steenwijk), hooiknechten, jagers,
schoolkinderen die van
dit veer gebruik maakten. Toen de brug bij Halfweg in
1938 gereed
kwam werd Hendrik Jan Driezen brugwachter. Dat maakt dan
de
verbinding Steenwijkerwold richting Giethoorn compleet
via
Hesselingendijk en Jan van Nassauweg zoals nu nog steeds
is.
Het Steenwijkerdiep was vroeger een druk bevaren
vaarroute voor
beurt- en vrachtschepen. Vaak was er geen wind en moesten
ze
"in
de liende"
en dat was zwaar werk.
Soms werden schoolkinderen van de Wetering gevraagd om het schip
naar
Halfweg (Steenwijk) te trekken.
Bron:
IJsselhammer nr.18, 27-09-2004
|
|