sept 2004

Start
Kennismaking
Literatuur
Fotopagina
Streekprodukten
erven en hoeven
Knipselkrant
Contact
Links + zoeken
Gastenboek


<<< terug


Witte Reiger.
Toen ik onlangs, samen met mijn vrouw, terug kwam van het Korenfestival en de Slag om het Wiede te Giethoorn hadden we een bijzondere ontmoeting met een zilverreiger. Ter hoogte van het nieuwe stukje reservaat (hoogwaterzone) van Natuurmonumenten stond onze vriend aan de kant van de rietkraag. Voor iedereen goed te zien. 


 Deze geheel spierwitte vogel met z’n geel en zwarte
 snavel  is een bewoner van het Donaugebied en is vroeger
 vanwege z’n lange veren vervolgd. Nu komt deze vogel
 dus ook al in Nederland voor.  
 Hij kan even groot worden als de blauwe reiger ca 90 à
 100 cm. Het dier is een bewoner van meren, lagunes,
 rivieroevers en moerassen en heeft nu bij ons z’n draai
 gevonden. Het is een z.g. koloniebroeder die nestelt in de
 rietvelden en hij vist evenals de blauwe reiger in ondiep
 water. De grote zilverreiger wordt ook wel grote witte
 reiger genoemd (latijn: egretta alba alba). Andere witte
 reigers zijn de kleine zilverreiger 56 cm (enkele broedgevallen) en de koereiger 51 cm (ook enkele broedgevallen). Ook deze kleinere reigers komen dus wel in ons land voor, zoals in Zuidelijk Vlevoland. Alle witte reigers zijn van origine tropische of subtropische vogels. Maar de meest opvallende van de drie is wel de grote zilverreiger met z’n opvallende rustige vleugelslag.  
Naar alle waarschijnlijkheid hebben een drietal paartjes van deze mooie vogel in het Aukengebied gebroed. Trouwens ook lepelaars en kraanvogels zijn daar niet onbekend.
Bron: IJsselhammer nr.18, 27-09-2004
 
  
Streektaal”.
Samen met Geesje Oord, Hillie Wardenier, Roely Bouwer en Lute Bouwer werkte professor Jaap Spa aan een streektaal grammaticaboek. Dan kom je veel mooie dingen tegen.

Oudere mensen hebben soms van die prachtige gezegden of uitdrukkingen die bijna niet in het Nederlands zijn te vertalen. Hier volgen er enkele:
”Mit een old uus en een jonge vrouwe eit altied drok”.
”Ik wil doar gien uutbrenger van wezen” (Ik wil dit niet gezegd hebben).
”Kleur bi’j kleur” zee de bakker en hi’j gooide een rotte keutel bi’j de
  krenten.
”t Is waeter en vuur”,  zee ‘t olde wief en toen piste ze in de teste.
”Doar eur ik joe “ zee dove Jouk en toe leup er een muus over de
  heuizolder mit de klomp’n an.
”Ze emmen hum e vunden, onder een ieke mit de rieme om de hals em
  mit de broek van’t gat.” “Of ef hi’j um oppehöng’n.” “Nee, hi’j zat
  te skieten”.
”Die ef de rittel in ’t gat”.
”Goed weer veur de laite kikkers”
”Hi’j glimt as een peerdekeutel in de moaneskien”.
”Loop en schiet’n ië, daor geloof ik niks van”.
”Die ef alles an de konte”.
”Krek Aole weer een bigge”.
”Mak staar’m ast niet woar is”.
”Hi’j is onderaomde te passe west”.
”Ie kunn’n er wisse van wezen, die is uut de broek ewest”.
”Hi’j goat niet in de bienen, want hi’j is an de loop”.
”Een bek as een biele”.

Bron: IJsselhammer nr 17, 13-09-2004
  
De gebroeders Eeker" van de zaanden (anno1900).  
         door Lute Bouwer.
De vrijgezelle gebroeders Eeker waren mannen van de wereld en zaten goed in de slappe was. Een vreemd stel die beide broers, die in hun jonge jaren in de Kikkerij woonden. Het waren mannen met geld en vrienden.

Ze raakten aan lager wal en trokken zich terug op hun laatste grond aan de Stijnengracht op de kruising met het “Heldere Gat”. Het “Heldere Gat” was de verbinding tussen Stijnengracht, Stijnen/Thijssensloot en Steenwijker diep en kwam daarop uit ter hoogte van het huidige Scheerwolde. De broers waren intussen door de vele tegenslagen aan de drank geraakt en waren met hun geld ook hun vrienden kwijt. De enige mensen die nog met hun omgingen waren familieleden. Zoals alle mensen destijds waren ook de broers gefrustreerd, want de taxateurs taxeerden de gronden in en om Halfweg als “onland”, van weinig waarde. Vele Gietersen, Dwarsgrachter, Muggenbeters, Weteringers en Halfweggers hadden hier een weiland, hooiland, veenland, rietland en visgrond.

 
Onland
”Grond die te weinig opbrengt”. Hoe verzinnen ze het! En dat van een zandhoogte met een dik spit veen erop. De ontginners waren er later bijzonder gelukkig mee. Ze hebben er vrachten zand weggehaald voor het egaliseren van de akkers in de omgeving en voor de aanleg van wegen. Maar daar rekenden de taxateurs geen cent extra voor. Ze keken bij de waardebepaling alleen naar het opbrengstvermogen. Dat je op een stuk veengrasland vee kon laten weiden begrepen ze. Dat een aangrenzende hoek waarop nauwelijks iets groeide jarenlang voldoende turf opleverde voor vele gezinnen zagen ze over het hoofd.

”De Zanden” waren verreweg de populairste gronden. Ze waren ook eigendom van de broers Hendrik en Volken Eeker die weer verhuurden aan de familie Eeker, Timmerman uit Muggenbeet en Gieterse boeren. Voor zo’n honderd gulden de bunder ging de grond naar de staat. En de rentmeester der Domeinen zei: “De honden” (boeren, rietsnijders, verveners en vissers) blaffen, maar de karavaan trekt verder. De broers Eeker werden steeds eenzamer en zonderling. Ingenieur Cornelis Pieter van de Berg (1910) vertelde mij over hen en het land van Eekers: “Het gemakkelijkst” voor mij waren de “zanden” in de buurt van de Jan van Nassauweg, want daar zat het zand erg hoog. Vaak grote percelen van soms wel zeven hectare. Toen ik het uitzette waren er akkertjes met dopheide en wulpennesten. Van achter de ramen hielden de Eekers mij in de gaten (1928-1938). Ik had daar veel werk want er moesten veel bruggen, dijken, duikers en gemalen worden aangelegd. Daar te midden van dopheide en pijpestro hadden Hendrik en Volken hun nederig optrekje. Toen de ene broer ziek werd en z’n bed niet meer uit kwam, moesten er maatregelen getroffen worden. Op een gegeven moment kreeg de plaatselijke postbode “Peter de bode” de vraag of hij voor een oude binnenband kon zorgen. Daarvan werd een “plasconstructie” gemaakt waarmee de oude man rechtstreeks vanuit de bedstee naar buiten kon plassen. Toch modern voor die tijd dus, denk maar aan het huidige plasgootje voor vrouwen. Volgens Gieterse zegslieden kwam na enige tijd de vraag of de postbode de band kon lappen. Die wilden het verhaal waarschijnlijk nog mooier maken. Hendrik overleed het eerst en enige jaren later Volken. Volken, stijf van de reumatiek en slecht ter been, bracht z’n laatste tijd door op een woonboot bij familie aan de Dwarsgracht. Oud Gietersen, Dwarsgrachters, Muggenbeters en Halfweggers kwamen nooit weer terug naar hun vroegere bestaansgrond.
De tragiek van de ontginning.
Bron: IJsselhammer nr.18, 27-09-2004
“Het voetveer van Halfweg”.
Het voetveer van Halfweg was tot 1938 een belangrijke schakel tussen het fietspad langs de Woldlakeweg richting Oldemarkt Paasloo en het fietspad van Steenwijk naar Blokzijl langs het Diep. Onderweg passeerde men dan het kerkje van Scheerwolde, wat watermolens en wat vervenershuisjes. Daar is er nu nog maar eentje van te vinden. Wanneer je over het Steenwijkerdiep gezet was kon je je weg vervolgen richting Eind van Diep, Steenwijk of Giethoorn. 
   Zo rond 1920 had Egbert Eeker daar een overzet en vanaf 1935
   Pieter de Lange. Mensen die van dit veer gebruik maakten waren
   vooral
"vremden", want de inwoners van Halfweg hadden allemaal
   zelf één of meer boten. Het waren dan ook vooral turfmakers
   (o.a. uit Steenwijk), hooiknechten, jagers, schoolkinderen die van
   dit veer gebruik maakten. Toen de brug bij Halfweg in 1938 gereed
   kwam werd Hendrik Jan Driezen brugwachter. Dat maakt dan de
   verbinding Steenwijkerwold richting Giethoorn compleet via
   Hesselingendijk en Jan van Nassauweg zoals nu nog steeds is.
   Het Steenwijkerdiep was vroeger een druk bevaren vaarroute voor
   beurt- en vrachtschepen. Vaak was er geen wind en moesten ze
 
"in de liende" en dat was zwaar werk.
 Soms werden schoolkinderen van de Wetering gevraagd om het schip naar
 Halfweg (Steenwijk) te trekken.
 
Bron: IJsselhammer nr.18, 27-09-2004