Lute
Bouwer.
Bron:
IJsselhammer
nr 19/10-10-2005
Medicijnen
uut de Ribben (kalmoes)
‘Hei
kaugom Klaozien?’, ‘nee ik kauwe op een kalmoeswortel, want ik
ebbe roos in de mond.’
Aan het
woord is Klaozien van Jan Plumpie (Klaasje Huisman) in de jaren
vijftig, plaats Muggenbeet. Klaozien had wel gelijk, want kalmoes was
een uitstekend middel tegen kiespijn.
De
kalmoesplant (Acorus calamus) is geen Nederlandse plant van nature,
alhoewel hij in de Kop van Overijssel veel voorkomt in sloten,
petgaten en meeroevers. Kalmoes behoort tot de aronskelkfamilie (Araceae)
en is van oorsprong inheems in tropisch Zuidoost-Azië.
Door
Alexander de Grote werd hij ooit uit Voor-Indië naar Klein-Azië
gebracht. In de 13e eeuw werd de plant door de Tartaren (=
ruitervolk dat buiten de Chinese muur leeft, vnl Mongolië) in
Oost-Europa ingevoerd.
In die
periode was kalmoes in Europa al bekend
als geneesmiddel. Dat vermeldde Albertus Magnus (ca. 1250). Het is
heel goed mogelijk dat de kruisvaarders om die reden gedroogde
kalmoesplanten meenamen vanuit Indië naar het noorden.
Er kwam
meer bekendheid over deze plant door toedoen van de kruidkundige P.A.
Matthiolus die de plant in 1557 (in Praag) ontving van de keizerlijke
gezant Augenius Ghis-Ienius Busbequius, verbonden aan het Turkse hof
in het toenmalige Constantinopel, die Matthiolus mededeelde dat hij de
plant had verzameld aan een groot meer in Bithynie (Noordwest Turkije.
Verder wordt er melding gemaakt van een botanicus Carolus Clusius, die
de plant als rariteit in de botanische tuin van Wenen aanplantte in
1574.
Later gaf
hij planten aan collega-plantkundigen in België, Duitsland en
Frankrijk. Dankzij botanicie, later monniken en kruidenverzamelaars,
bereikte de plant aan het einde van de 18e eeuw ook andere
delen van Europa. Overal werd hij gekweekt vanwege de geneeskrachtige
werking. Daarna verwilderde de plant en vermenigvuldigde zich snel
door afgebroken wortelstokken. Zo rond 1650 werd de plant in Nederland
gemeengoed. Het merkwaardige is dat kalmoes in onze streken geen
vruchten vormt, in Oost-Azië doet hij dat wel.
Hij
vermenigvuldigt zich hier door middel van wortelstokken.
Veel
voorkomende plant
Bij het
“sloten” (=opschonen) in de herfst halen de boeren in het
watergebied deze plant massaal uit het water. Door de sterke geur
wordt de plant door dieren gemeden en kan daardoor rustig doorgroeien.
Kalmoes heeft weinig last van mest en afvalstoffen en is vaak te
vinden in de buurt van de gele lis, grote egelskop, waterzuring en
waterscheerling. De
krachtige overblijvende waterplant kan zich met zijn diepliggende
wortelstokken sterk vermeerderen en een
soort kolonie vormen zelfs op drijftillen.
Geneeskunde
De
kalmoeswortel bevat etherische olie die vroeger werd gebruikt bij
worminfecties, slechte eetlust, te veel maagzuur, winderigheid,
bloedingen, ontstoken tandvlees, kiespijn en om zijn lustopwekkende,
bloedstelpende spijsvertering en menstruatie bevorderende, kalmerende
en zweetafdrijvende eigenschappen.
En verder
Engelse ziekte, verzwakte kinderen, toevallen, stuipen, voorkomt
teveel maagzuuren is bacteriedodend. Volgens mijn moeder (Trijntje
Timmerman 1907) werd de plant destijds gezocht voor de fa. Brocadis in
Meppel.
Door
carcinogene (=kankerverwekkende) eigenschappen is men wat huiverig
geworden voor de plant. Samenstelling: bitterstoffen, aconine,
tannine, calamine, azorine, azaron met hylamine, eugenol, pineen,
looistof, hars, slijn, zeer veel zetmeel en geurige vluchtige olien.
Kalmoes behoort evenals hennep, papaver, wolfskers en doornappel tot
de hallucinerende planten.
Culinair
In de 16e
eeuw werden de gesuikerde wortelstokken gegeten als
exotische delicatesse. En verder is kalmoes te vinden in bier,
kruidenbitter, likeur, jenever, brandewijn (Beerenburg) en Deventer
koek. Soms wordt nog geconfijte wortelstok gegeten. Het blad kan
worden gebruikt om gerechten op smaak te maken.
Ander
gebruik
Als
bestrijdingsmiddel tegen snuitkevers (maakt ze steriel) in granen. Als
verdelgingsmiddel tegen insekten (azaron). Als drinkwaterzuiveraar
(Tartaren). Bladen als opbindmiddel voor bosjes riet in plaats van
paampels.
Als
parfum
Bladen
werden als geurstof op vloeren van kerken (tegen lijklucht) en huizen
gestrooid. En verder in kaneel, parfums, badwater, vloeistof en
tandpasta.
(zie ook
mijn boek “Rond de Ribben”.
IJsselhammer
nr. 20, 24-10-2005