|










| |
<<<
terug
 |
“Objecten
aanvullende werkgelegenheid".
In
de dertiger jaren werden, voornamelijk uit het Westen van ons land,
talloze werklozen
van Rijkswege in de polders van Giethoorn en omgeving aan het werk
gezet.
Ze werden in diverse kampen langs het Steenwijkerdiep en Kanaal
Steenwijk
Beukers gehuisvest.
Ik heb inmiddels een vrij compleet overzicht samengesteld van alle
werkkampen uit die tijd.
Hier alvast enkele foto's van die werkkampen.
Zie ook het artikel in
<Knipselkrant> <Allerlei> met een compleet overzicht
van alle werkkampen uit de polder!
werkkamp "Beenderibben"
werkkamp "Rotterdam-B"
onderwijzers,
kantoormensen enz.
Gemiddeld waren er in de jaren dertig 50.000 mensen werkzaam
voor "Objecten aanvullende werkgelegenheid".
Bij ons in de polder werden deze mensen ook vaak "DUW-arbeiders"
genoemd, weet u waarom???
Werkkampen
in de polders.
Voor de ontwikkeling van de polders in de Kop van Overijssel
zijn de werkkampen van grote betekenis geweest
Ik kan zeggen, dat ik zelf de ontginning van deze polders van zeer
dichtbij heb meegemaakt.
Van 1936 tot 1940 woonde ik aan het Steenwijkerdiep.
Er gingen altijd massa’s werklozen voor ons huis langs zowel tevoet
als per schip, allemaal op weg naar de kampen nabij halfweg diep.
Achter onze boerderij waren ze bezig met de bouw van boerderijen aan
de Leiweg (Lambert Schipper, Evert Timmerman, Jan ten Wolde, Cornelis
Bijkerk en Portiek).
In 1940 verhuisden wij naar de Woldlakeweg. Voor het huis nog diepe
trekgaten en bij ons achter de Woldlakewegdijk de net ontgonnen grond.
Tientallen Rotterdammers waren nog bezig met het nawerk en aanleg van
de tuin. Achter ons land woonde Jan Jonker (getrouwd met Luitje
Oostenbrink, overleden aan tbc). Jan was de vader van Jan Jonker van
de melkboot. De oude Jan had altijd gevist en verder sneed hij riet in
“Rusland” en veende hij aan de Lake. Toen wij er kwamen wonen was
dus alles voorbij.
Het kampleven.
De werklozen uit het Westen kwamen in de loop van de maandagmorgen met
extra treinen in Steenwijk aan. Daarna ging het dus richting werkkamp
waar ze door de daar wonende kampbeheerders Visser, Bruinsma en Meurs
werden opgevangen. Houten barakken met zes- of achtpersoons kamers.
Eet- en woongedeelte waren gescheiden van de slaapvertrekken. Verder
een centraal was- en spoelhok met alleen koud water en geen douches.
Elke nieuweling moest bij zich hebben: een panschop (panne) , één
verschoning, mes, vork, lepel, kom, drinkkan en een diep geëmailleerd
bord. Verder een droogdoek en twee handdoeken.
De kampbeheerder was ook kantinebaas en zorgde ervoor dat de diverse
vertrekken schoon bleven. Hij oordeelde over verlof , doktershulp en
ziekte. De bewoners kregen 2,50 broodgeld en 1,-
zakgeld (in de eerste jaren). Het eten was goed, want men beschikte
over goede koks.
Kampbemanning: kok-beheerder, hulpkok, twee meisjes voor alle
voorkomende werkzaamheden. De radio mocht alleen voor de
nieuwsberichten gebruikt worden, verder niet! Het eten was in de ogen
van de arbeider dus goed: Maandag – erwtensoep, Dinsdag
en vrijdag – stamppot, Woensdag, Zaterdag en Zondag –
aardappelen en groente, Donderdag – bruine bonen of capucijners.
Oud-kok, Gerrit Pit uit Giethoorn (1930), voegt hier nog aan toe:
“Soms namen ze tassen vol eten mee naar huis, want koelkasten hadden
we niet en in de barakken kon het bloedheet worden”.
Toen de afstanden te groot werden om lopend af te leggen, kregen de
werklozen een z.g. “R.E.-fiets” (Rijks Eigendom).
Trouwens ook de culturele verzorging was
aardig goed: film, cabaret, toneel, vanalles kwam aan bod. In
het “Roomse gebouwtje” in
Giethoorn kon je zelfs dansen. Bovendien
werden er voetbalwedstrijden georganiseerd tegen plaatselijke clubs,
zoals de gymnastiekvereniging “THOR” (Tot Heil Onzer Ribbekast).
“Ik herinner mij nog pater Sassen en dominee Bout en welzijnswerker
Polderman”, aldus Gerrit Pit.
Sommige optredende artiesten werden later erg bekend, zoals Jules de
Corte en Greetje Kaufeld. De laatste moet zelfs in haar jeugd in kamp
“Steenwijkerdiep” hebben
gewoond.
Ook de jeugd uit de omgeving werden door deze voorstellingen
aangetrokken, zoals in Blankenham en Kuinre alwaar ze naar
“ontspanningskampen” in
de Noordoost Polder trokken.
Meerdere doeleinden.
De werkkampen werden in de loop der tijd voor diverse doeleinden
benut. Aanvankelijk voor huisvesting van werkloze arbeiders bedoeld,
maar later ook voor o.a. schippersgezinnen, wier schepen in 1940/45
door de Duitsers waren gevorderd, jongens van de arbeidsdienst
(Pikbroek), moffenhoeren (Pikbroek), NSB-ers en andere
oorlogsdelinquenten en in 1951-1953 Ambonezen.
In de Gieterse polder waren alle kampen al voor 1940 afgebroken.
Sommigen werden elders wel weer opgebouwd en sommige Gietersen kochten
barakken om er zomerhuisjes van te bouwen.
Dé en Eise Sloot van de “Kleine Bazar”
op Steenwijkerwold bouwden er een winkel van (nu André en
Marietje Velner). Kamp Halfweg werd door langs komende fietsers onder
dwang van de Duitsers afgebroken en kamp Steenwijkerdiep werd deels
kamp Beenderibben, waar de schoolkinderen hutspot kregen op school als
de werklozen niet konden komen.
Van de kampen Halfweg, Woldlakeweg, Eind van ’t Diep, Kikkerij en
Beenderibben zijn nog enkele kleine barakken in gebruik.
Kamp Pikbroek is nu “De Twin” en is nog geheel in tact gebleven.
Luutien Jonker (83) zegt hierover: “Mijn dochter was altijd bij de
Ambonese kinderen, maar ze wilde daar nooit eten (nasi) omdat ze bang
was ook zwart te worden van dat eten!”
Ook herinner ik mij zelf een voorval. Karst Limburg (onze knecht) en
ikzelf (9 jaar), waren omstreeks 17.00 uur op weg met paard en wagen
naar kamp Beenderibben. Op de wagen zaten een wacht en ca 20 NSB-ers.
Ter hoogte van kamp Pikbroek werden we staande gehouden door
een groepje moffenhoeren die de mannen mee wilden hebben naar
hun kamp. Maar toen de mannen dat niet wilden klommen ze op de wagen.
Met licht geweld van de begeleidende wacht en de zweep van Karst
werden de meiden weer van de wagen afgejaagd.
Bron: IJsselhammer nr
23, 5 dec. 2005
|
|
 |
“Werkkamp
Beenderibben".
Van de
Beenderibben is weinig geschiedenis te vinden. In de geschiedenis van
Muggenbeet en Armenvoogdij van dit gehucht wordt enkele malen verwezen
naar de Beenderibben. In 1327 heeft men het over het "Benenhuys
ter Hoven" of anders
gezegd, het Beenderhuis op de begraafplaats. Een beenderhuis wordt ook
wel knekelhuis of scherminkelhuis genoemd.
In 1853
bestaat Beenderibben uit een polder met een watermolen die het water
loost op de Wetering. Er staan dan een zevental huizen aan de
waterkant, waaronder een cafe en een paar huizen aan de Oude Aa.
Verder staan er nog een drietal veenhutten. In 1921 is er nog altijd
een watermolen, maar die zal snel verdwijnen, want het Stroinkgemaal
is dan al in werking.
In1940
komt er leven in de brouwerij want er worden een drietal werkkampen
gebouwd;
Beenderibben
met plaats voor 400 arbeiders in Kikkerij en Eind van Diep is plaats
voor elk 96 bewoners. Eerst zitten alle kampen vol met werklozen, maar
op 30 september 1942 komen er mannelijke Joden in de kampen te zitten
die vervolgens worden doorgestuurd naar Westerbork. In de oorlogsjaren
staan de kampen vaak leeg door oorlogsomstandigheden. Altijd was wel
de beheerder aanwezig. Enkele keren maakte ook de Arbeidsdienst
gebruik van de leegstaande barakken .
In 1945
wordt het kamp volgestopt met NSB-ers en SS-ers. Zware oorlogs
misdadigers werden in eerste instantie opgesloten samen met mensen die
maar korte tijd lid van deze organisatie waren geweest en dat bracht
veel frustraties met zich mee. De beruchte Utrechtenaar Bert Pattist,
de Schrik van Drenthe zat hier opgesloten. De ook wel Beul van Drenthe
genoemde Waffen SS-ers pakte in Amsterdam 2116 Joden op Bij een bezoek
aan de kamptandarts ontvluchtte hij en ontkwam naar Spanje.
De komst
van de Ambonnezen in1951 bracht stof tot praten. De meeste Weteringers
en Muggenbeters hadden nog nooit donkere mensen gezien.
In 1951 kwamen er in kort tijd 21000 Ambonnezen naar Nederland.
Dat waren de gezinnen van de 3500 KNIL soldaten, 3000 gezinnen en 500
vrijgezelle soldaten. Met de smoes dat het maar tijdelijk zou zijn
waren ze naar Nederland gekomen. Ambonezen waren perfecte militairen,
waren erg gastvrij, humorvol en sportief en namen een fascinerende
cultuur met zich mee. Ze dachten dat ze maar drie maanden zouden
blijven maar het werd een leven lang. Ze zaten van 1951 tot 1959 in
onder andere kamp Beenderibben. De kinderen gingen al gauw naar
Wetering en Blokzijl naar school, waar ze allemaal aparte klassen
hadden. De beste soldaten van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger
werden door Nederland als
tweederangs burgers behandeld. Ze waren stateloos geworden en kregen
ontslag bij het KNIL en hadden geen werk meer. In de kampen hadden de
mensen geen privacy, geen keuken, toilet of eigen kamers. Geen wonder
dat er in 1956 een hongerstaking uitbrak waaraan veel politie te pas
zou komen. Zoals ik al zei de Ambonezen brachten veel cultuur met zich
mee en hun gastvrijheid heb ik aan de lijve ondervonden. Sportief
waren ze ook en al gauw had je overal Ambonese voetbaltrainers. Namen
als Watiminna, Sahertia, Saimina, Manusima, SiwaletteTanata, Pelupessy,
Waissappy, Tapilaha, Salamoni en Tanate staan mij nog voor de geest.
Ja, de Indische Nederlanders hebben in Nederland veel cultuur
gebracht. Dat Ambonese jongeren later gewelddaden uit frusstratie voor
het onrecht hun vaders aangedaan, dat kon ik mij dan ook goed
voorstellen. Ik hoop dat het de Ambonnezen in Nederland nu beter gaat.
Als in
1959 de Molukkers vertrokken zijn komen de BB-ers in het kamp, wat dan
al ten dele is afgebroken. De burgermoed van de Nederlandse bevolking
moet gemobiliseerd worden. Zo was in 1952 al de Bescherming Bevolking
geboren. Die moest de Nederlandse volk voorbereiden op een eventuele
aanval van de toenmalige Sovjet Unie met de andere Oostblok staten.
BB-ers uit Noord Nederland konden hier oefenen in een zogenaamde “georganiseerde
ruïne". De BB-ers
moesten hier de weg volgen, zoals
in een ingestort huis. De mannen werden gedurende deze twee dagen
ondergebracht in het voormalige werkkamp Eind van Diep, vlakbij het
oefencentrum. De BB was van 1952 tot 1983 actief. Van het kamp is
niets meer over, alleen resten nog een paar gerestaureerde werkkamp
optrekjes. Op het terrein staat nu een prachtig huis.
Bronnen
en archieven
Archieven Lute Bouwer
Diverse Wold boeken van Lute Bouwer
|
|
 |
“Werkkamp
Kikkerij".
Ooit liep de Tjonger,Kuinder of Kunren langs De Kikkerij, want de
Riete en het Gietersemeer waren onderdeel van deze rivier. De Olde
Steenwijker Aa kwam dus ook uit in deze rivier. Dat kunt u niet meer
weten, want dat was al in circa 1500 jaar voor het begin van onze
jaartelling.
In 1165 geeft
Bisscop Godfried van Utrecht de Friezen uit Lammerbrucke toestemming
om zich te vestigen in deze contreien. Het waren vaak kloosterlingen
die bij dit soort verhuizingen vaak de iniatieven namen. De
ontginninge brachten de bisschop bovendien geld in het laadje. Door de
duindoorbraak rond het jaar 800 tussen Texel en de Kop van
Noordholland ( Marsdiep ) waren de lage veengronden ten Westen (nu
IJsselmeer ) en ten Oosten van
Lemmer ( nu Noordoostpolder ) voor deze Friezen levensgevaarlijk
geworden. De nu veel zwaardere Noordzeegolven braken in een mum van
tijd de lichte veengronden af. Daarom mochten deze mensen zich
vestigen in de zeer dun bevolkte gebieden tussen Rutherikesdole en
Wibernessate en Kunren en Oude Lenna ( Olde Beeke of oude Linde).
Hiervoor moesten men met Sint Maarten dan een tiende penning betalen.
De kolonisten betaalden de zogenaamde "tins" over de in
cultuur gebrachte grond aan de bisschop. Een soort grondbelasting zou
je kunnen zeggen. Roderixvene in Kempenwere was onder andere
toegewezen aan de Friezen uit Lemmerbrucke. In die tijd waren er in
dat gebied al vaste bewoners in Kuinre, Baarlo, Muggenbeet, "t
Duin (op terpjes). Verder hadden de rijke boeren van Steenwijkerwold
en Paasloo de lage gronden in gebruik tussen het hoge Wold en
Steenwijker Aa. Deze groenlanden werden scheren of scharen genoemd. De
naam Scheerwolde is hiermede verklaard. De Scheerwoldenaren moeten
zich in eerste instantie gevestigd hebben in De Kikkerij waar ze in
1279 gezamenlijke kerk gehad moeten hebben met de Gietersen. De naar
Sint Nicolaas genoemde kerk moet nabij het perceel het oude kerkhof
gestaan hebben. Al turfmakende wandelde de kern van Scheerwolde zich
verder naar het Oosten, met als grens de Scholtensloot nabij het
gehucht Rusland.(Ruxland), ook daar hadden ze rond 1850 nog een Kerk
en een Kerkhof. De Scheerwoldenaren leefden altijd erg verspreid in
het gebied. De Kikkerij kwam in 1632 in een geïsoleerd gebied te
liggen tussen Steenwijker Aa en het Steenwijkerdiep.In de negentiende
eeuw is het Kikkerij gebied sterk verarmd. De armen voogdijen van
Scheerwolde en Muggenbeet ruziën onderling wie de armen moeten
onderhouden in dit gebied. De vaarwegen moesten soms beschermd worden
tegen rovers en ondeugende turfmakers. Soms zetten de turfmakers of
boeren het stuwen van de Aa open en liep de Aa gewoon leeg. Ook toen
al had iedereen zijn eigen waterschapsbelangen. Bij het oude huis van
Hanekamp was vroeger een Rondute (verdedigingswerk) om het Diep te
beschermen. Mogelijk was er bij de Kikkerij ook eentje, want in 1939
vonden ze hier doodshoofden, paardeschedels, een sabel en een
zwaard.Trouwens bij het maken van de werkput ten behoeve van het
gemaal in Kikkerij liep de heleboel onder water.Het heeft dan ook heel
wat voeten in de aarde gehad voor uiteindelijk de fundering voor het
gemaal gereed was. Albert Hoekman werd de eerste beheerder van dit
gemaal. Toen in de jaren twintig de drooglegging ging spelen waren er
nog vijf kleine boeren behuizingen in De Kikkerij.
wipwatermolen
Door het wegmalen van 70 centimeter boezemwater waren ook de nog
aanwezige twee watermolens en schutsluis in de Oude Aa intussen
overbodig geworden. De wipwatermolen aan de noordzijde van de
oude Aa stond aan de Oeverdijk en bemaalde De Beenderibben.Toen de
polder droog kwam te liggen werd de molen voor een gulden verkocht aan
de vader van Tinus Snijder, de heer Mijlof Snijder
die de molen in de veertiger jaren heeft afgebroken. Het gehucht
Kikkerij bezat in 1921 nog een vijftal boerderijtjes of huizen. Twee
ervan waren eigendom van de grondeigenaren Familie Kamp en Smit,die
ook de eigenaar van de molen waren. De boerderij van Smit stond aan de
noordkant (De Beenderibben kant) en die van Kamp aan de zuidkant van
deze waterloop. Als je met de roeiboot vanaf het Gietersemeer kwam
kreeg je eerst Jan van de Werken, dan kwam Lute Eker en daarna Klaas
van de Meer. Het enige wat nu nog rest zijn nog een paar bochten
in de Steenwijker Aa, die nu verworden is tot een brede sloot. Na 1950
zijn ook alle oude behuizingen verdwenen. Het is nu allemaal polder
Halfweg. Omdat de Staat der Nederlanden de gronden en wateren voor
deze polder voor een habbekrats gekocht heeft noemt men dit ook wel “De
Gestolenpolder”. Wel is er in 1940 nog een ontspanningsboerderij
voor de werklozen gebouwd door de ontginnings Maatschappij Land van
Vollenhove. Die deed tot 1948 diensten daarna werd de boerderij
verpacht aan H. de Vries, Roelof
Aken, volgens streekkenners.
Bronnen
en archieven
Langs de diek van Lute Bouwer
Archieven Lute Bouwer
Bisschoppelijk archief
Archieven Fokke Middendorp, Pee Plat, meester Koster, Roelof Kamman en
Tinus Snijder.
Aanvullende
informatie kunt u kwijt bij Lute Bouwer
|
|
|