December 2005

Start
Kennismaking
Literatuur
Fotopagina
Streekprodukten
erven en hoeven
Knipselkrant
Contact
Links + zoeken
Gastenboek


<<< terug

 

Objecten aanvullende werkgelegenheid".
In de dertiger jaren werden, voornamelijk uit het Westen van ons land, talloze werklozen
van Rijkswege in de polders van Giethoorn en omgeving aan het werk gezet.
Ze werden in diverse kampen langs het Steenwijkerdiep en Kanaal Steenwijk
Beukers gehuisvest.
Ik heb inmiddels een vrij compleet overzicht samengesteld van alle werkkampen uit die tijd.
Hier alvast enkele foto's van die werkkampen.
Zie ook het artikel in <Knipselkrant>  <Allerlei> met een compleet overzicht
van alle werkkampen uit de polder!


  werkkamp "Beenderibben"

  werkkamp "Rotterdam-B"

  onderwijzers, kantoormensen enz.

Gemiddeld waren er in de jaren dertig 50.000 mensen werkzaam
voor "Objecten aanvullende werkgelegenheid".
Bij ons in de polder werden deze mensen ook vaak "DUW-arbeiders"
genoemd, weet u waarom???

Werkkampen in de polders.
Voor de ontwikkeling van de polders in de Kop van Overijssel  zijn de werkkampen van grote betekenis geweest
Ik kan zeggen, dat ik zelf de ontginning van deze polders van zeer dichtbij heb meegemaakt.
Van 1936 tot 1940 woonde ik aan het Steenwijkerdiep.

Er gingen altijd massa’s werklozen voor ons huis langs zowel tevoet als per schip, allemaal op weg naar de kampen nabij halfweg diep. Achter onze boerderij waren ze bezig met de bouw van boerderijen aan de Leiweg (Lambert Schipper, Evert Timmerman, Jan ten Wolde, Cornelis Bijkerk en Portiek).
In 1940 verhuisden wij naar de Woldlakeweg. Voor het huis nog diepe trekgaten en bij ons achter de Woldlakewegdijk de net ontgonnen grond.
Tientallen Rotterdammers waren nog bezig met het nawerk en aanleg van de tuin. Achter ons land woonde Jan Jonker (getrouwd met Luitje Oostenbrink, overleden aan tbc). Jan was de vader van Jan Jonker van de melkboot. De oude Jan had altijd gevist en verder sneed hij riet in “Rusland” en veende hij aan de Lake. Toen wij er kwamen wonen was dus alles voorbij.

Het kampleven.

De werklozen uit het Westen kwamen in de loop van de maandagmorgen met extra treinen in Steenwijk aan. Daarna ging het dus richting werkkamp waar ze door de daar wonende kampbeheerders Visser, Bruinsma en Meurs werden opgevangen. Houten barakken met zes- of achtpersoons kamers.
Eet- en woongedeelte waren gescheiden van de slaapvertrekken. Verder een centraal was- en spoelhok met alleen koud water en geen douches. Elke nieuweling moest bij zich hebben: een panschop (panne) , één verschoning, mes, vork, lepel, kom, drinkkan en een diep geëmailleerd bord. Verder een droogdoek en twee handdoeken.

De kampbeheerder was ook kantinebaas en zorgde ervoor dat de diverse vertrekken schoon bleven. Hij oordeelde over verlof , doktershulp en ziekte. De bewoners kregen  2,50 broodgeld en  1,- zakgeld (in de eerste jaren). Het eten was goed, want men beschikte over goede koks.
Kampbemanning: kok-beheerder, hulpkok, twee meisjes voor alle voorkomende werkzaamheden. De radio mocht alleen voor de nieuwsberichten gebruikt worden, verder niet! Het eten was in de ogen van de arbeider dus goed: Maandag – erwtensoep, Dinsdag  en vrijdag – stamppot, Woensdag, Zaterdag en Zondag – aardappelen en groente, Donderdag – bruine bonen of capucijners.

Oud-kok, Gerrit Pit uit Giethoorn (1930), voegt hier nog aan toe: “Soms namen ze tassen vol eten mee naar huis, want koelkasten hadden we niet en in de barakken kon het bloedheet worden”.
Toen de afstanden te groot werden om lopend af te leggen, kregen de werklozen een z.g. “R.E.-fiets” (Rijks Eigendom).  Trouwens ook de culturele verzorging was  aardig goed: film, cabaret, toneel, vanalles kwam aan bod. In het “Roomse gebouwtje”  in Giethoorn kon je zelfs dansen.  Bovendien werden er voetbalwedstrijden georganiseerd tegen plaatselijke clubs, zoals de gymnastiekvereniging “THOR” (Tot Heil Onzer Ribbekast). “Ik herinner mij nog pater Sassen en dominee Bout en welzijnswerker Polderman”, aldus Gerrit Pit.

Sommige optredende artiesten werden later erg bekend, zoals Jules de Corte en Greetje Kaufeld. De laatste moet zelfs in haar jeugd in kamp “Steenwijkerdiep”  hebben gewoond.
Ook de jeugd uit de omgeving werden door deze voorstellingen aangetrokken, zoals in Blankenham en Kuinre alwaar ze naar “ontspanningskampen”  in de Noordoost Polder trokken.

Meerdere doeleinden.

De werkkampen werden in de loop der tijd voor diverse doeleinden benut. Aanvankelijk voor huisvesting van werkloze arbeiders bedoeld, maar later ook voor o.a. schippersgezinnen, wier schepen in 1940/45 door de Duitsers waren gevorderd, jongens van de arbeidsdienst (Pikbroek), moffenhoeren (Pikbroek), NSB-ers en andere oorlogsdelinquenten en in 1951-1953 Ambonezen.
In de Gieterse polder waren alle kampen al voor 1940 afgebroken. Sommigen werden elders wel weer opgebouwd en sommige Gietersen kochten barakken om er zomerhuisjes van te bouwen.
Dé en Eise Sloot van de “Kleine Bazar”  op Steenwijkerwold bouwden er een winkel van (nu André en Marietje Velner). Kamp Halfweg werd door langs komende fietsers onder dwang van de Duitsers afgebroken en kamp Steenwijkerdiep werd deels kamp Beenderibben, waar de schoolkinderen hutspot kregen op school als de werklozen niet konden komen.
Van de kampen Halfweg, Woldlakeweg, Eind van ’t Diep, Kikkerij en Beenderibben zijn nog enkele kleine barakken in gebruik.
Kamp Pikbroek is nu “De Twin” en is nog geheel in tact gebleven.
Luutien Jonker (83) zegt hierover: “Mijn dochter was altijd bij de Ambonese kinderen, maar ze wilde daar nooit eten (nasi) omdat ze bang was ook zwart te worden van dat eten!”
Ook herinner ik mij zelf een voorval. Karst Limburg (onze knecht) en ikzelf (9 jaar), waren omstreeks 17.00 uur op weg met paard en wagen naar kamp Beenderibben. Op de wagen zaten een wacht en ca 20 NSB-ers. Ter hoogte van kamp Pikbroek werden we staande gehouden door  een groepje moffenhoeren die de mannen mee wilden hebben naar hun kamp. Maar toen de mannen dat niet wilden klommen ze op de wagen. Met licht geweld van de begeleidende wacht en de zweep van Karst werden de meiden weer van de wagen afgejaagd.

Bron: IJsselhammer nr 23,  5 dec. 2005

 
 

Werkkamp Beenderibben".
Van de Beenderibben is weinig geschiedenis te vinden. In de geschiedenis van Muggenbeet en Armenvoogdij van dit gehucht wordt enkele malen verwezen naar de Beenderibben. In 1327 heeft men het over het "Benenhuys ter Hoven"  of anders gezegd, het Beenderhuis op de begraafplaats. Een beenderhuis wordt ook wel knekelhuis of scherminkelhuis genoemd.

In 1853 bestaat Beenderibben uit een polder met een watermolen die het water loost op de Wetering. Er staan dan een zevental huizen aan de waterkant, waaronder een cafe en een paar huizen aan de Oude Aa. Verder staan er nog een drietal veenhutten. In 1921 is er nog altijd een watermolen, maar die zal snel verdwijnen, want het Stroinkgemaal is dan al in werking.

In1940 komt er leven in de brouwerij want er worden een drietal werkkampen gebouwd;

Beenderibben met plaats voor 400 arbeiders in Kikkerij en Eind van Diep is plaats voor elk 96 bewoners. Eerst zitten alle kampen vol met werklozen, maar op 30 september 1942 komen er mannelijke Joden in de kampen te zitten die vervolgens worden doorgestuurd naar Westerbork. In de oorlogsjaren staan de kampen vaak leeg door oorlogsomstandigheden. Altijd was wel de beheerder aanwezig. Enkele keren maakte ook de Arbeidsdienst gebruik van de leegstaande barakken .

In 1945 wordt het kamp volgestopt met NSB-ers en SS-ers. Zware oorlogs misdadigers werden in eerste instantie opgesloten samen met mensen die maar korte tijd lid van deze organisatie waren geweest en dat bracht veel frustraties met zich mee. De beruchte Utrechtenaar Bert Pattist, de Schrik van Drenthe zat hier opgesloten. De ook wel Beul van Drenthe genoemde Waffen SS-ers pakte in Amsterdam 2116 Joden op Bij een bezoek aan de kamptandarts ontvluchtte hij en ontkwam naar Spanje.

De komst van de Ambonnezen in1951 bracht stof tot praten. De meeste Weteringers en Muggenbeters hadden nog nooit donkere mensen gezien.  In 1951 kwamen er in kort tijd 21000 Ambonnezen naar Nederland. Dat waren de gezinnen van de 3500 KNIL soldaten, 3000 gezinnen en 500 vrijgezelle soldaten. Met de smoes dat het maar tijdelijk zou zijn waren ze naar Nederland gekomen. Ambonezen waren perfecte militairen, waren erg gastvrij, humorvol en sportief en namen een fascinerende cultuur met zich mee. Ze dachten dat ze maar drie maanden zouden blijven maar het werd een leven lang. Ze zaten van 1951 tot 1959 in onder andere kamp Beenderibben. De kinderen gingen al gauw naar Wetering en Blokzijl naar school, waar ze allemaal aparte klassen hadden. De beste soldaten van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger werden  door Nederland als tweederangs burgers behandeld. Ze waren stateloos geworden en kregen ontslag bij het KNIL en hadden geen werk meer. In de kampen hadden de mensen geen privacy, geen keuken, toilet of eigen kamers. Geen wonder dat er in 1956 een hongerstaking uitbrak waaraan veel politie te pas zou komen. Zoals ik al zei de Ambonezen brachten veel cultuur met zich mee en hun gastvrijheid heb ik aan de lijve ondervonden. Sportief waren ze ook en al gauw had je overal Ambonese voetbaltrainers. Namen als Watiminna, Sahertia, Saimina, Manusima, SiwaletteTanata, Pelupessy, Waissappy, Tapilaha, Salamoni en Tanate staan mij nog voor de geest. Ja, de Indische Nederlanders hebben in Nederland veel cultuur gebracht. Dat Ambonese jongeren later gewelddaden uit frusstratie voor het onrecht hun vaders aangedaan, dat kon ik mij dan ook goed voorstellen. Ik hoop dat het de Ambonnezen in Nederland nu beter gaat.

Als in 1959 de Molukkers vertrokken zijn komen de BB-ers in het kamp, wat dan al ten dele is afgebroken. De burgermoed van de Nederlandse bevolking moet gemobiliseerd worden. Zo was in 1952 al de Bescherming Bevolking geboren. Die moest de Nederlandse volk voorbereiden op een eventuele aanval van de toenmalige Sovjet Unie met de andere Oostblok staten. BB-ers uit Noord Nederland konden hier oefenen in een zogenaamde  “georganiseerde ruïne".  De BB-ers moesten hier de weg volgen,  zoals in een ingestort huis. De mannen werden gedurende deze twee dagen ondergebracht in het voormalige werkkamp Eind van Diep, vlakbij het oefencentrum. De BB was van 1952 tot 1983 actief. Van het kamp is niets meer over, alleen resten nog een paar gerestaureerde werkkamp optrekjes. Op het terrein staat nu een prachtig huis.  

Bronnen en archieven
Archieven Lute Bouwer
Diverse Wold boeken van Lute Bouwer

 
 

Werkkamp Kikkerij".
Ooit liep de Tjonger,Kuinder of Kunren langs De Kikkerij, want de Riete en het Gietersemeer waren onderdeel van deze rivier. De Olde Steenwijker Aa kwam dus ook uit in deze rivier. Dat kunt u niet meer weten, want dat was al in circa 1500 jaar voor het begin van onze jaartelling.

In 1165  geeft Bisscop Godfried van Utrecht de Friezen uit Lammerbrucke toestemming om zich te vestigen in deze contreien. Het waren vaak kloosterlingen die bij dit soort verhuizingen vaak de iniatieven namen. De ontginninge brachten de bisschop bovendien geld in het laadje. Door de duindoorbraak rond het jaar 800 tussen Texel en de Kop van Noordholland ( Marsdiep ) waren de lage veengronden ten Westen (nu IJsselmeer ) en ten Oosten  van Lemmer ( nu Noordoostpolder ) voor deze Friezen levensgevaarlijk geworden. De nu veel zwaardere Noordzeegolven braken in een mum van tijd de lichte veengronden af. Daarom mochten deze mensen zich vestigen in de zeer dun bevolkte gebieden tussen Rutherikesdole en Wibernessate en Kunren en Oude Lenna ( Olde Beeke of oude Linde). Hiervoor moesten men met Sint Maarten dan een tiende penning betalen. De kolonisten betaalden de zogenaamde "tins" over de in cultuur gebrachte grond aan de bisschop. Een soort grondbelasting zou je kunnen zeggen. Roderixvene in Kempenwere was onder andere toegewezen aan de Friezen uit Lemmerbrucke. In die tijd waren er in dat gebied al vaste bewoners in Kuinre, Baarlo, Muggenbeet,  "t Duin (op terpjes). Verder hadden de rijke boeren van Steenwijkerwold en Paasloo de lage gronden in gebruik tussen het hoge Wold en Steenwijker Aa. Deze groenlanden werden scheren of scharen genoemd. De naam Scheerwolde is hiermede verklaard. De Scheerwoldenaren moeten zich in eerste instantie gevestigd hebben in De Kikkerij waar ze in 1279 gezamenlijke kerk gehad moeten hebben met de Gietersen. De naar Sint Nicolaas genoemde kerk moet nabij het perceel het oude kerkhof gestaan hebben. Al turfmakende wandelde de kern van Scheerwolde zich verder naar het Oosten, met als grens de Scholtensloot nabij het gehucht Rusland.(Ruxland), ook daar hadden ze rond 1850 nog een Kerk en een Kerkhof. De Scheerwoldenaren leefden altijd erg verspreid in het gebied. De Kikkerij kwam in 1632 in een geïsoleerd gebied te liggen tussen Steenwijker Aa en het Steenwijkerdiep.In de negentiende eeuw is het Kikkerij gebied sterk verarmd. De armen voogdijen van Scheerwolde en Muggenbeet ruziën onderling wie de armen moeten onderhouden in dit gebied. De vaarwegen moesten soms beschermd worden tegen rovers en ondeugende turfmakers. Soms zetten de turfmakers of boeren het stuwen van de Aa open en liep de Aa gewoon leeg. Ook toen al had iedereen zijn eigen waterschapsbelangen. Bij het oude huis van Hanekamp was vroeger een Rondute (verdedigingswerk) om het Diep te beschermen. Mogelijk was er bij de Kikkerij ook eentje, want in 1939 vonden ze hier doodshoofden, paardeschedels, een sabel en een zwaard.Trouwens bij het maken van de werkput ten behoeve van het gemaal in Kikkerij liep de heleboel onder water.Het heeft dan ook heel wat voeten in de aarde gehad voor uiteindelijk de fundering voor het gemaal gereed was. Albert Hoekman werd de eerste beheerder van dit gemaal. Toen in de jaren twintig de drooglegging ging spelen waren er nog vijf kleine boeren behuizingen in De Kikkerij.

wipwatermolen

Door het wegmalen van 70 centimeter boezemwater waren ook de nog aanwezige twee watermolens en schutsluis in de Oude Aa intussen overbodig geworden. De wipwatermolen aan de noordzijde van de oude Aa stond aan de Oeverdijk en bemaalde De Beenderibben.Toen de polder droog kwam te liggen werd de molen voor een gulden verkocht aan de vader van Tinus Snijder, de heer Mijlof  Snijder die de molen in de veertiger jaren heeft afgebroken. Het gehucht Kikkerij bezat in 1921 nog een vijftal boerderijtjes of huizen. Twee ervan waren eigendom van de grondeigenaren Familie Kamp en Smit,die ook de eigenaar van de molen waren. De boerderij van Smit stond aan de noordkant (De Beenderibben kant) en die van Kamp aan de zuidkant van deze waterloop. Als je met de roeiboot vanaf het Gietersemeer kwam kreeg je eerst Jan van de Werken, dan kwam Lute Eker en daarna Klaas van de Meer. Het enige wat nu nog rest zijn nog een paar  bochten in de Steenwijker Aa, die nu verworden is tot een brede sloot. Na 1950 zijn ook alle oude behuizingen verdwenen. Het is nu allemaal polder Halfweg. Omdat de Staat der Nederlanden de gronden en wateren voor deze polder voor een habbekrats gekocht heeft noemt men dit ook wel  “De Gestolenpolder”. Wel is er in 1940 nog een ontspanningsboerderij voor de werklozen gebouwd door de ontginnings Maatschappij Land van Vollenhove. Die deed tot 1948 diensten daarna werd de boerderij verpacht aan H. de Vries,  Roelof Aken, volgens streekkenners.
 

Bronnen en archieven
Langs de diek van Lute Bouwer
Archieven Lute Bouwer
Bisschoppelijk archief
Archieven Fokke Middendorp, Pee Plat, meester Koster, Roelof Kamman en
Tinus Snijder.

Aanvullende informatie kunt u kwijt bij Lute Bouwer