De jong’n van de rooie bolle waren twee bekende Steenwijkerwoldiger
broers.
Geert, de jongste broer had een stem waar een stadsomroeper jaloers op zou
zijn. Niet iedereen was op zijn aanwezigheid gesteld, maar toch zocht hij
altijd de verzamelpunten op waar veel mensen kwamen zoals op de
zondagmiddag op de Woldberg, de ‘Elfduizend’ kermis en de
zaterdagavond in Steenwijk.
Zijn
broer Roelof was een heel andere man, een intelligente man, een echte
intelligente kluizenaar die in z’n jonge jaren de MULO had doorlopen.
Zijn grote liefde was z’n stenenverzameling. Bij elke steen had hij een
verhaal en ik moet zeggen, hij wist er veel over te vertellen. Waar
uiteindelijk zijn verzameling gebleven is weet ik niet. De beide mannen
hadden twee totaal verschillende karakters en leefden in onmin met elkaar.
De broers hadden geen mooie jeugd. Moeder was niet helemaal ‘goed bi’j
d’r eufd’ en ‘vèder was altied op sjouw’.
Door de vader kregen ze ook de bijnaam ‘Rooie bolle’. De man
had namelijk als enige boer in Steenwijkerwold rood melkvee, vandaar . . .
Een
dubbele betekenis, want de man bezat ook een rode stier. Ook de boer zelf
hield wel van hengstige
praktijken. Stad en land
fietste hij af om vrouwen te veroveren. Vrouwen en meisjes waren doodsbang
voor hem. Zijn territorium was erg groot, een straal van circa
vijentwintig kilometer. Roelof
en Geert kwamen nooit aan dit soort avonturen toe. Zij waren beiden het
toppunt van zuinigheid. Stakkers waren het, waar eigenlijk iedereen
medelijden mee had.
het
‘voerenwerk’ kenden ze niet goed en als ze dat deden, dan gebeurde dat
op een erg achterlijke manier. Zo heb ik Roelof wel eens als paard voor de
zigzag eg zien lopen, een verschrikkelijk zwaar werk . Lange tijd staken
ze ook nog grasplaggen voor de potstal (ca 1950). Voor zover ik weet deed
dat geen enkele Steenwijkerwoldse boer in die tijd.
Broer
Geert mocht graag uitgaan, je
kon hem dan ook vaak in Steenwijk aantreffen. Omdat hij z’n broer niet
vertrouwde en hij ook dacht dat Roelof alle sleutels had, timmerde hij bij
zijn eigen afwezigheid zijn voordeur dicht! Hij had daar heel wat ‘lange
spiekers’ voor nodig.
Z’n
thuiskomst was voor de omwonenden een belevenis, want dan moesten alle
spijkers weer uit de deur getrokken worden. Maar ondanks z’n goede
maatregelen werd er volgens Geert altijd bij hem gestolen en altijd kreeg
broer Roelof de schuld.
Lange
onderbroeken, borstrokken en hemden waren van die dingen die Geert
regelmatig kwijt was. Als er een aanslagbiljet kwam van de belasting dan
was dat ook Roelof z’n schuld. Roelof was een CDA aanhanger en Dries van
Agt was op dat moment premier. Elk half uur deed Geert de deur open en
stond een kleine tien minuten in de deuropening te schreeuwen. Roelof en
z’n vriend Van Agt werden dan overal voor uitgescholden. Soms gingen die
scheldkanonades door tot ’s nachts twaalf uur. Iedere buurtgenoot kon
dan volop meegenieten.
In
de stille nachtelijke uren kon je de harde stem van Geert van verre horen.
M’n dochter had nog wel eens medelijden met goedaardige Roelof. Zij
ruimde daar de smeerboel wel eens wat op. Ook bracht ze hem wel eens wat
warm eten. Daar had hij niet al teveel vertrouwen in en wij weten ook niet
of hij het wel echt op ging eten. Schijnbaar at hij anders alleen maar
brood. Geert ging regelmatig z’n banktegoeden controleren. Dan stapte
hij naar het postkantoor en moesten ze hem laten zien dat het geld nog
aanwezig was. Employees speelden het spel dan gewoon mee en soms moest het
geld daarvoor speciaal uit Steenwijk komen.
Vandaag
de dag zou zoiets natuurlijk niet meer kunnen.
Lute R.
Bouwer.
Bron:
IJsselhammer no.11, 24-05-2004