maart 2004

Start
Kennismaking
Literatuur
Fotopagina
Streekprodukten
erven en hoeven
Knipselkrant
Contact
Links + zoeken
Gastenboek


<<< TERUG

“Kopverkenning”.  

Oldemarkt – Onlangs was ik op bezoek bij de Prot. Chr. Basisschool “De Ark”. Ik volgde daar het computerproject om kinderen te leren omgaan met dit niet meer weg te denken apparaat. Dit project was opgezet door het Onderwijs Advies Centrum OAC en duurde veertien dagen.

                       

Het project “Kopverkenning”  is opgezet voor 28 scholen is de Kop van Overijssel. Zo’n 14 dagen lang was de gehele school hierbij betrokken. Het heeft op mij een bijzonder positieve indruk achtergelaten, omdat men letterlijk het hele dagelijkse leven had betrokken in het onderwijs. Tijdens mijn aanwezigheid waren leerlingen van groep 1 en 2 in school bezig terwijl groep 3 en 4 op verkenning was in de plaatselijke supermarkt. Groep 5 en 6 deden het roofvogelproject, ook wel passend in dit seizoen, want die zijn er genoeg in onze omgeving.

    

Historie
De oudeste leerlingen (gr. 7 en 8) waren bezig met historie. Voor dit project hadden ze in de gang een kleine expositie ingericht compleet met Tjasker en allerlei turfmakers- en rietsnijdersgereedschap.De rekenopdrachter bij dit project waren soms vrij pittig, waarbij praktijk en geschiedenis een zeer belangrijke rol speelden.
Voorbeeld
Een veenbaas heeft 20 turfgravers in dienst. Wat kost hem dat per week anno 1900? Of wat kost een rieten dak van 2x18x9 meter? Ga d’r maar aan staan!
Enkele vragen
Een aantal vragen ontleende men uit een paar van mijn boekjes, zoals: “Rond de Ribben”  en “Rond de Beulaker”.        Vragen over purperreigers, rietteelt, rietdekken, turfeconomie, het verdronken dorp Beulake, petgaten enz. Taalopdrachten, opstellen, berekeningen, tekenopdrachten enz., allemaal themagericht! Tot slot nog een klein rekenvoorbeeld: als we alle gewonnen turf op een rij zouden leggen konden we een weg maken van 15 meter breed rondom de wereld (=48000 km)!!!
Actief volkje daar in de Kop.

(bron: IJsselhammer: maart 2004)

 

Balgstuw Ramspol.

De balgstuw bij Ramspol heeft miljoenen gekost en is een technisch hoogstandje.

  
  de balgstuw in gesloten  toestand: 
  bij dreigend hoogwatewr wordt de op de bodem liggende rubberen 
  damwand met lucht gevuld en komt dan boven water uit zoals
  hiernaast op de foto zichtbaar is.
  

De stuw is echter geen structurele oplossing voor de hoge waterstanden in het Ijsselmeer. Door een hogere watertoevoer van de rivieren zoals de IJssel en soms veel regenval loopt de waterstand veel te hoog op.


 DeNoordoostpolderdijken zijn voldoende hoog,
 maar in de Kop van Overijssel en de buren niet!  Door teveel westelijke winden kunnen ze aan de Afsluitdijk te weinig water spuien. Nieuwe of brede spuisluizen of een gemaal zou dus de oplossing zijn.


Voor de energievoorziening zouden molens op de dijk kunnen worden geplaatst. 


              
Dan houden wij “De Kop”  boven water!

(Bron: IJsselhammer 29-03-04, foto’s: Lute Bouwer)

 

 

Buus’n.  

Buus’n, buizen, biezen, russen, wie kent ze niet.  

         

Iedereen die in het laagland geboren is kent dit watergewas. Ook ieder kind kon wel biezen vlechten. Laatst zag ik in de slootkant nog een polletje biezen staan en die heb toen maar meegenomen voor m’n kleindochter Rozemarijn. Nu zijn we regelmatig aan het vlechten.
De biezensnijderij was vroeger een echt seizoenberoep waar met name de mensen uit Genemuiden goed in thuis waren. Zij trokken dan ook de hele streek mee!
Al vanaf 1550 waren biezen een exportproduct. De sterkste biezen groeiden het best in zout water. Nadat in 1920 de afsluitdijk gereed kwam was het dus niet alleen gebeurd met de zoutwatervisserij maar ook met de biezenteelt.
Zoetwaterbiezen waren door de mattenmakers minder goed te gebruiken.  
Zoals gezegd, de groeiomstandigheden aan de oude Zuiderzeekust waren voor de biezen uitstekend.  


Eind juni snijden . . .
 
Biezen werden handmatig gesneden en dat was zwaar werk. Om vier uur ’s morgens vertrokken ze al met de punter naar zee of rivier. Dat was, zoals u zult begrijpen, een heel eind “bomen” (varen m.b.v. een punterboom).  
Tijdens het snijden stond men de gehele dag tot aan de heupen in het koude water. Dus niet in een speciale waterbroek of laarsbroek, maar gewoon in oude kleren. Rond één uur kwam het water opzetten (wassen) en stond het tot je middel!

          
Als snijdgereedschap gebruikte men het “snit”, een soort miniatuur zeis.  
Biezen groeiden bij voorkeur langs de drassige Zuiderzeekusten en de monding van het Zwolse Diep en IJsselmond. Maar ook elders, zoals; Zwarte Meer, Beulaker, Belter, Giethoornse Meer, Bovenwiede, trekgaten, Lindevallei, Noorderdiep enz. enz.  
Biezen worden onder water afgesneden, waarna de snijder de kletsnatte bossen goed uitschud en gelijktijdig met het snit ook eventuele waterplanten eruit kamt.  
Twee armen met biezen vormen tezamen een bos die bijeengebonden wordt met, u raad het al, een biezen band.

          
De snijder laat de bos drijven en na een poosje drijven er tientallen bossen in het water die daarna in de punter of bok verzameld worden. En ’s avonds gaat alles mee naar huis.  
Verdienste destijds; 2 cent per bos!  
Thuisgekomen maakten meestal de vrouwen de biezenbossen weer los en spreidden ze over het land uit in de vorm van een waaier.  
Nu konden de biezen drogen, maar dat mocht niet te snel gaan anders braken ze, maar ook weer niet te langzaam i.v.m. schimmelvorming.

          
Foto: Ynte Loff
In de 20e eeuw ging het drogen wat professioneler, toen werden de biezen op driepootruiters gezet in de landerijen van Genemuiden. Op het terrein in de buurt van de latere mattenfabrieken werden zelfs speciale hekwerken geplaatst om de manshoge stengels te drogen. Deze droogtijd duurde 6-7 weken.  


Genemuiden bakermat.  
De dunne en sterkste biezen (ook wel russen genoemd) gingen naar de stoelenmatters in binnen- en buitenland. Duitsland is de grootste afnemer.  
De dikke biezensoorten worden gebruikt als afdichtingmateriaal voor cognac- en champagnevaten bij Franse wijnboeren.  
Zware dikke biezen gaan ook naar Engeland, waar ze bij het vervaardigen van vaten gebruikt worden. Men voegt, om het vat dicht te laten zwellen, tussen elke twee duigen een bies, zodat de ton of kuip “waterdicht” wordt. Wanneer men deze “kuiperbiezen” verzendt, zorgt men voor een adequate verpakking, zodat ze niet door zeewater aangetast worden!  
Vooral Genemuiden was heel bekend om z’n mattenmakerijen. De meeste landen ter wereld moeten wel de Genemuider matten gekend hebben. Ook toen men rond de eeuwwisseling (1900) begon met fraai gekleurde matten werden ze steeds populairder.  
In de dertiger jaren waren de beroemde matten minder sterk geworden omdat de biezen niet meer in zout water groeiden (afsluitdijk 1920).  
In Genemuiden verving men de bies door de taaie kokosvezel en nog weer later door nylon.  


Thuiswerk.  
Het waren vooral de arbeidersgezinnen die wat bij verdienden met het vlechten van matten. Het hele gezin hielp daarbij mee. Vooral in de wintermaanden wanneer de tufstekers niet konden werken was het moeilijk rond te komen.

           
In Steenwijkerwold hielden zich in 1920 zo’n 50 gezinnen bezig met deze vorm van huisvlijt. Daar lieten ze de biezen groeien om een mooiere kleur te krijgen.  De biezen sneed men zelf in het laagland en natte heideplassen. De mensen werkten in opdracht van de mattenkoper. Toen men het laagland droog ging maken was het afgelopen met het biezen snijden (zie ook Wold III).  


Ds. Hylkema.  
Al in 1700 ging het weeshuis in Blokzijl over tot het maken van huismatten. Ook Steenwijk zette in 1797 de armen aan het werk, die moesten ook matten vlechten.
In Giethoorn stichtte ds. Hylkema in 1927 een stoelenmatterei aan het Paardepad. Maar de Gietersen hielden net zo als de andere mensen uit De Kop meer van vrijheid en buitenlucht.  


Verdiensten.  
In 1920 verdiende een huismoeder zo’n vier eurocent per dag met mattenvlechten. In Genemuiden verdiende men in 1930 met het matten van een stoel twintig eurocent (3 uur werk).
Armoede troef dus! Anno 2003 kost dat €25,- !!!  


Mattenschippers.  
Blokzijl kende veel mattenschippers, allen voortgekomen uit de mattenmakerij. Zo rond 1875 had Blokzijl een vloot van zo’n  zestig mattenschippers die in de winter in de kolk lagen. In de winter “matten”  ze zelf, maar trokken ook de streek in om handel te kopen. In het voorjaar trokken de schippers dan met hun handel het zeegat uit. De familie Toby naar de Zaanstreek, Pander naar Amsterdam en Den Haag, Buisman naar Den Haag en Vlaardingen, Poorter naar Alkmaar en Fhaner naar de Friese steden.  
Men werkte vanaf het ca 25 ton metende schip met als transportmiddel de kruiwagen en hondekar.  


Bies.  
Bies, de Nederlandse naam van het plantengeslacht Scirpus (familie Cyperaceae) waarvan in Nederland een tiental soorten voorkomen als veenbies, vlottende bies, zeebies en bosbies.. De mattenbies of stoelenbies is hier een ondersoort van de Scirpus Lacustris.

          
De mattenbies heeft er een handje van om alles in zijn omgeving te  overwoekeren. Dit ten koste van o.a. riet. Uiteindelijk verdwijnt de plant door uitputting van de grond. Door waterschappen werden biessoorten aangeplant om aanslib te bevorderen en als kustbegroeiing.
Aan de kust noemde men ze ook wel “Hanepollen”  of “Hanepoten”  vanwege hun bloeiwijze. Het snijdsel of knipsel wat na het snijden van riet of biezen naar de kant dreef noemde men “Daak”  of “Doake”.  


Verdere publicaties over natuurgewassen kunt u vinden in mijn boekjes:  

Rondom de Beulaker
en Wold III en IV. (speulegoed uut de Ribben, riet, paampels, dulen en krabbescheer)  

(Bron: IJsselhammer maart 2004)

 

 

Meer dan 300 bruggen in de Kop van Overijssel.

De Kop van Overijssel is een echt bruggenland. Met z’n talrijke grote en kleine waterwegen is er een grote variatie in het bruggenbestand. De meeste waterwegen zijn verbindingen van meren van de Kop van Overijssel en friesland onderling. Het bovengenoemde in combinatie met de waterdorpen brengt met zich mee dat er hier zo’n 305 bruggen en sluizen te vinden zijn.
De waterdorpen Giethoorn, Dwarsgracht en Belt Schutsloot zijn goed voor 180 bruggen. De meeste bruggen in de waterdorpen zijn echte plaatjes en hebben daardoor dan ook een sterke aantrekkingskracht op fotografen.

                            
Maar ook grote bruggen kunnen zeer fraai zijn, zoals de beweegbare Herenbrug, de Matenbrug in Blokzijl en de Nieuwstadbrug in Kuinre.
De herenbrug bij avond, of in geheven  toestand met daarvoor een klipper van de bruine vloot vormt altijd weer een prachtig plaatje.


Sluizen.

Ook de sluizen in onze directe omgeving zijn een bezienswaardigheid van de eerste orde. De echtelijke ruzies die zich zomers afspelen tijdens het schutten van de plezierbootjes zijn vaak een attractie voor het aanwezige publiek.

                            
Nog altijd is de man de stuurman en de vrouw dekknecht. Vooral als de dame in kwestie ook nog eens weinig verhullende zwemkleding draagt zijn de aanmoedigingen van walzijde niet van de lucht.
De diepste sluis in deze streek is de Linthorst Homansluis (2.74 m), in de volksmond beter bekend als Driewegsluis, achter Oldemarkt met een lengte van 60 m. een breedte van 8 m. De langste sluis is die bij Beukers, met een lengte van 65 m.
De Aremberger en de Kuinresluis zijn de kleinsten, met respectievelijk 27 m. en 30 m. lengte.
Echt grote schepen kunnen de Kop niet bereiken en komen niet verder dan het meppelerdiep bij de Beukerssluis.


Diepgang.

De maximaal toegestane diepgang zijn voor Kanaal Steenwijk-Beukers 2.40 m, Kanaal Steenwijk-Ossenzijl 1.80 m. en Steenwijkerdiep 1 m.

Het Kanaal Steenwijk-Beukers is gegraven in 1924 – 1929, het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl in 1926 – 1934 en het Steenwijkerdiep in 1626 – 1632.

                            
Het Giethoornse meer, De Riete en Wetering hebben allen een diepgang van 1.60 m. terwijl de Kalenberger gracht en Heuvengracht 1.40 toelaat.
In werkelijkheid is de diepte van het water meestal 30 cm meer dan de toegestane diepgang!
De beide kanalen kunnen door schepen van 600 ton bevaren worden, maar door het Steenwijkerdiep kan maximaal 30 ton. 
(info: Prov. Overijssel).

Grote vaste bruggen.

Roomslootbrug, brug Belt Schutsloot, Wetering brug, Ruxveense brug.


Beweegbare bruggen.

Vaarweg Steenwijk-Linde: Thijendijsbrug, Hesselingenbrug, Meenthe brug, Hogewegsbrug, vaarweg Steenwijk-Wetering: Kapelhefbrug (Dolderbrug), Halfwegsbrug (1939), Kooiwegbrug. Vaarweg Wetering-Ossenzijl: Scheerebrug Wetering, Kalenberg, Ossenzijl. Ronduite: Ophaalbrug. Kuinre: Nieuwstadbrug (Kuinre). Rondebroekbrug (Kuinre). Blokzijl: Platenbrug (1985), brug (1994).
Vaarweg Steenwijk-Beukers: Heerenbrug, Koppersbrug, brug Giethoorn Noord, brug Blauwe hand, Beukerssluis. Vollenhove Kanaal-Kadoelermeer: Vollenhover brug, Voorstersluis (NOP), Kadoelersluis.


Grote Gemalen.

A.F. Stroïnkgemaal
Vollenhove: 3 pompen met een gezamenlijke capaciteit van 3000 m3 per minuut. Gemaal Zede Muden Zwartsluis: ook 3 pompen maar met een gezamenlijke capaciteit van maar liefst 6000 m3  per minuut!  

(Bron: IJsselhammer 29-03-2004