|










| |
<<<
TERUG
 | “Kopverkenning”.
|
Oldemarkt – Onlangs was ik op bezoek bij de Prot. Chr. Basisschool
“De Ark”. Ik volgde daar het computerproject om kinderen te leren
omgaan met dit niet meer weg te denken apparaat. Dit project was opgezet
door het Onderwijs Advies Centrum OAC en duurde veertien dagen.
Het project “Kopverkenning” is
opgezet voor 28 scholen is de Kop van Overijssel. Zo’n 14 dagen lang was
de gehele school hierbij betrokken. Het heeft op mij een bijzonder
positieve indruk achtergelaten, omdat men letterlijk het hele dagelijkse
leven had betrokken in het onderwijs. Tijdens mijn aanwezigheid waren
leerlingen van groep 1 en 2 in school bezig terwijl groep 3 en 4 op
verkenning was in de plaatselijke supermarkt. Groep 5 en 6 deden het
roofvogelproject, ook wel passend in dit seizoen, want die zijn er genoeg
in onze omgeving.

Historie
De oudeste leerlingen (gr. 7 en 8) waren bezig met historie. Voor dit
project hadden ze in de gang een kleine expositie ingericht compleet met
Tjasker en allerlei turfmakers- en rietsnijdersgereedschap.De
rekenopdrachter bij dit project waren soms vrij pittig, waarbij praktijk
en geschiedenis een zeer belangrijke rol speelden.
Voorbeeld
Een veenbaas heeft 20 turfgravers in dienst. Wat kost hem dat per week
anno 1900? Of wat kost een rieten dak van 2x18x9 meter? Ga d’r maar aan
staan!
Enkele vragen
Een aantal vragen ontleende men uit een paar van mijn boekjes, zoals:
“Rond de Ribben” en
“Rond de Beulaker”.
Vragen over purperreigers, rietteelt, rietdekken, turfeconomie, het
verdronken dorp Beulake, petgaten enz. Taalopdrachten, opstellen,
berekeningen, tekenopdrachten enz., allemaal themagericht! Tot slot nog
een klein rekenvoorbeeld: als we
alle gewonnen turf op een rij zouden leggen konden we een weg maken van 15
meter breed rondom de wereld (=48000 km)!!!
Actief volkje daar in de Kop.
(bron: IJsselhammer: maart 2004)
|
|
 | Balgstuw
Ramspol.
De balgstuw bij Ramspol
heeft miljoenen gekost en is een technisch hoogstandje.
de balgstuw in gesloten
toestand:
bij dreigend hoogwatewr wordt de op de bodem liggende
rubberen
damwand met lucht gevuld en komt dan boven water uit zoals
hiernaast op de foto zichtbaar is.
De stuw is echter geen
structurele oplossing voor de hoge waterstanden in het Ijsselmeer. Door een hogere watertoevoer van de rivieren zoals de IJssel
en soms veel regenval loopt de waterstand veel te hoog op.

DeNoordoostpolderdijken zijn voldoende hoog,
maar in de Kop van Overijssel
en de buren niet! Door teveel
westelijke winden kunnen ze aan de Afsluitdijk
te weinig water spuien. Nieuwe of brede spuisluizen of een gemaal zou dus
de oplossing zijn.

Voor de energievoorziening
zouden molens op de dijk kunnen worden geplaatst.
Dan houden wij
“De Kop” boven water!
(Bron: IJsselhammer 29-03-04, foto’s: Lute Bouwer)
|
|
 | Buus’n.
|
Buus’n, buizen, biezen,
russen, wie kent ze niet.

Iedereen die in het
laagland geboren is kent dit watergewas. Ook ieder kind kon wel biezen
vlechten. Laatst zag ik in de slootkant nog een polletje biezen staan en die
heb toen maar meegenomen voor m’n kleindochter Rozemarijn. Nu zijn we
regelmatig aan het vlechten.
De biezensnijderij was
vroeger een echt seizoenberoep waar met name de
mensen uit Genemuiden goed in thuis waren. Zij trokken dan ook de hele streek
mee!
Al vanaf 1550 waren biezen
een exportproduct. De sterkste biezen groeiden het best in zout water. Nadat
in 1920 de afsluitdijk gereed kwam was het dus niet alleen gebeurd met de
zoutwatervisserij maar ook met de biezenteelt.
Zoetwaterbiezen waren door
de mattenmakers minder goed te gebruiken.
Zoals gezegd, de
groeiomstandigheden aan de oude Zuiderzeekust waren voor de biezen uitstekend.
Eind juni snijden . . .
Biezen werden handmatig
gesneden en dat was zwaar werk. Om vier uur ’s morgens vertrokken ze al met
de punter naar zee of rivier. Dat was, zoals u zult begrijpen, een heel eind
“bomen” (varen m.b.v. een punterboom).
Tijdens het snijden stond
men de gehele dag tot aan de heupen in het koude water. Dus niet in een
speciale waterbroek of laarsbroek, maar gewoon in oude kleren. Rond
één uur kwam het water opzetten (wassen) en stond het tot je middel!
Als snijdgereedschap gebruikte men het “snit”, een soort miniatuur
zeis.
Biezen groeiden bij
voorkeur langs de drassige Zuiderzeekusten en de monding van het Zwolse Diep
en IJsselmond. Maar ook elders, zoals; Zwarte Meer,
Beulaker, Belter, Giethoornse Meer, Bovenwiede, trekgaten, Lindevallei,
Noorderdiep enz. enz.
Biezen worden onder water
afgesneden, waarna de snijder de kletsnatte bossen goed uitschud en
gelijktijdig met het snit ook eventuele
waterplanten eruit kamt.
Twee armen met biezen
vormen tezamen een bos die bijeengebonden wordt
met, u raad het al, een biezen band.
De snijder laat de bos
drijven en na een poosje drijven er tientallen bossen in het water die daarna
in de punter of bok verzameld worden. En ’s avonds gaat alles mee naar huis.
Verdienste destijds; 2
cent per bos!
Thuisgekomen maakten
meestal de vrouwen de biezenbossen weer los en spreidden ze over het land uit
in de vorm van een waaier.
Nu konden de biezen
drogen, maar dat mocht niet te snel gaan anders braken ze, maar ook weer niet
te langzaam i.v.m. schimmelvorming.
Foto: Ynte Loff
In de 20e eeuw
ging het drogen wat professioneler, toen werden de biezen op driepootruiters
gezet in de landerijen van Genemuiden. Op het terrein in de buurt van de
latere mattenfabrieken werden zelfs speciale hekwerken geplaatst om de
manshoge stengels te drogen. Deze droogtijd duurde 6-7 weken.
Genemuiden bakermat.
De dunne en sterkste
biezen (ook wel russen genoemd) gingen naar de stoelenmatters in binnen- en
buitenland. Duitsland is de grootste afnemer.
De dikke biezensoorten
worden gebruikt als afdichtingmateriaal voor cognac- en champagnevaten bij
Franse wijnboeren.
Zware dikke biezen gaan
ook naar Engeland, waar ze bij het vervaardigen van vaten gebruikt worden. Men
voegt, om het vat dicht te laten zwellen, tussen elke twee duigen een bies,
zodat de ton of kuip “waterdicht” wordt. Wanneer men deze “kuiperbiezen”
verzendt, zorgt men voor een adequate verpakking, zodat ze niet door zeewater
aangetast worden!
Vooral Genemuiden was heel
bekend om z’n mattenmakerijen. De meeste landen
ter wereld moeten wel de Genemuider matten gekend hebben. Ook toen men rond de
eeuwwisseling (1900) begon met fraai gekleurde matten werden ze steeds
populairder.
In de dertiger jaren
waren de beroemde matten minder sterk geworden omdat de biezen niet meer in
zout water groeiden
(afsluitdijk 1920).
In Genemuiden verving men
de bies door de taaie kokosvezel en nog weer later door nylon.
Thuiswerk.
Het waren vooral de
arbeidersgezinnen die wat bij verdienden met het vlechten van matten. Het hele
gezin hielp daarbij mee. Vooral in de wintermaanden wanneer de tufstekers niet
konden werken was het moeilijk rond te komen.
In Steenwijkerwold hielden
zich in 1920 zo’n 50 gezinnen bezig met deze vorm
van huisvlijt. Daar lieten ze de biezen groeien om een mooiere kleur te krijgen.
De biezen sneed men zelf in het laagland en natte heideplassen.
De mensen werkten in opdracht van de mattenkoper. Toen men het laagland droog
ging maken was het afgelopen met het biezen snijden (zie ook Wold III).
Ds. Hylkema.
Al in 1700 ging het
weeshuis in Blokzijl over tot het maken van huismatten. Ook Steenwijk zette in
1797 de armen aan het werk, die moesten ook matten vlechten.
In Giethoorn stichtte ds.
Hylkema in 1927 een stoelenmatterei aan het Paardepad. Maar de Gietersen
hielden net zo als de andere mensen uit De Kop meer van vrijheid en
buitenlucht.
Verdiensten.
In 1920 verdiende een
huismoeder zo’n vier eurocent per dag met
mattenvlechten. In Genemuiden verdiende men in 1930 met het matten van een
stoel twintig eurocent (3 uur werk).
Armoede troef dus! Anno 2003 kost dat
€25,- !!!
Mattenschippers.
Blokzijl kende veel
mattenschippers, allen voortgekomen uit de mattenmakerij. Zo rond 1875 had
Blokzijl een vloot van zo’n
zestig mattenschippers die in de winter in de kolk lagen. In de winter “matten”
ze zelf, maar trokken ook de streek in om handel te kopen. In
het voorjaar trokken de schippers dan met hun handel het zeegat uit. De
familie Toby naar de Zaanstreek, Pander naar Amsterdam en Den Haag, Buisman
naar Den Haag en Vlaardingen, Poorter naar Alkmaar en Fhaner naar de Friese
steden.
Men werkte vanaf het
ca 25 ton metende schip met als transportmiddel de kruiwagen en hondekar.
Bies.
Bies, de Nederlandse naam
van het plantengeslacht Scirpus (familie Cyperaceae) waarvan in Nederland een
tiental soorten voorkomen als veenbies, vlottende bies, zeebies en bosbies..
De mattenbies of stoelenbies is hier een ondersoort van de Scirpus Lacustris.
De mattenbies heeft er een
handje van om alles in zijn omgeving te
overwoekeren. Dit ten koste van o.a. riet. Uiteindelijk verdwijnt
de plant door uitputting van de grond. Door waterschappen werden biessoorten
aangeplant om aanslib te bevorderen en als kustbegroeiing.
Aan de kust noemde men ze
ook wel “Hanepollen” of “Hanepoten”
vanwege hun bloeiwijze. Het snijdsel of knipsel wat na het
snijden van riet of biezen naar de kant dreef noemde men “Daak”
of “Doake”.
Verdere publicaties
over natuurgewassen kunt u vinden in mijn boekjes:
Rondom de Beulaker en Wold
III en IV. (speulegoed uut de Ribben, riet, paampels, dulen en
krabbescheer)
(Bron:
IJsselhammer
maart
2004)
|
 | Meer
dan 300 bruggen in de Kop van Overijssel.
De Kop van Overijssel is een echt
bruggenland. Met z’n talrijke grote en
kleine waterwegen is er een grote variatie in het bruggenbestand. De
meeste waterwegen zijn verbindingen van meren van de Kop van Overijssel
en friesland onderling. Het bovengenoemde in
combinatie met de waterdorpen brengt met zich mee dat er hier zo’n
305 bruggen en sluizen te vinden zijn.
De waterdorpen Giethoorn, Dwarsgracht en Belt Schutsloot zijn goed voor
180 bruggen. De meeste bruggen in de waterdorpen zijn echte plaatjes en
hebben daardoor dan ook een sterke aantrekkingskracht op fotografen.

Maar ook grote bruggen kunnen zeer fraai zijn, zoals de beweegbare
Herenbrug, de Matenbrug in Blokzijl en de Nieuwstadbrug in Kuinre.
De herenbrug bij avond, of in geheven
toestand met daarvoor een klipper van de bruine vloot
vormt altijd weer een prachtig plaatje.
Sluizen.
Ook de sluizen in onze directe omgeving zijn een bezienswaardigheid van
de eerste orde. De echtelijke ruzies die zich zomers afspelen tijdens
het schutten van de plezierbootjes zijn vaak een attractie voor het
aanwezige publiek.

Nog altijd is de man de stuurman en de vrouw dekknecht. Vooral als de
dame in kwestie ook nog eens weinig verhullende zwemkleding draagt zijn
de aanmoedigingen van walzijde niet van de lucht.
De diepste sluis in deze streek is de Linthorst
Homansluis (2.74 m), in de volksmond beter bekend
als Driewegsluis, achter Oldemarkt met een lengte van 60 m. een breedte
van 8 m. De langste sluis is die bij Beukers,
met een lengte van 65 m.
De Aremberger en de Kuinresluis
zijn de kleinsten, met respectievelijk 27 m.
en 30 m. lengte.
Echt grote schepen kunnen de Kop niet bereiken en komen niet verder dan
het meppelerdiep bij de Beukerssluis.
Diepgang.
De maximaal toegestane diepgang zijn voor
Kanaal Steenwijk-Beukers 2.40 m, Kanaal Steenwijk-Ossenzijl 1.80 m. en
Steenwijkerdiep 1 m.
Het Kanaal Steenwijk-Beukers is gegraven in 1924 – 1929, het Kanaal
Steenwijk-Ossenzijl in 1926 – 1934 en het Steenwijkerdiep in 1626 –
1632.
Het Giethoornse meer, De Riete en Wetering hebben allen een diepgang van
1.60 m. terwijl de Kalenberger gracht en Heuvengracht 1.40 toelaat.
In werkelijkheid is de diepte van het water meestal 30 cm meer dan de
toegestane diepgang!
De beide kanalen kunnen door schepen van 600 ton bevaren worden, maar
door het Steenwijkerdiep kan maximaal 30 ton.
(info: Prov.
Overijssel).
Grote vaste bruggen.
Roomslootbrug, brug Belt Schutsloot, Wetering brug, Ruxveense brug.
Beweegbare bruggen.
Vaarweg Steenwijk-Linde: Thijendijsbrug, Hesselingenbrug, Meenthe brug,
Hogewegsbrug, vaarweg Steenwijk-Wetering: Kapelhefbrug (Dolderbrug),
Halfwegsbrug (1939), Kooiwegbrug. Vaarweg Wetering-Ossenzijl:
Scheerebrug Wetering, Kalenberg, Ossenzijl. Ronduite: Ophaalbrug. Kuinre:
Nieuwstadbrug (Kuinre). Rondebroekbrug (Kuinre). Blokzijl: Platenbrug
(1985), brug (1994).
Vaarweg Steenwijk-Beukers: Heerenbrug, Koppersbrug, brug Giethoorn
Noord, brug Blauwe hand, Beukerssluis. Vollenhove Kanaal-Kadoelermeer:
Vollenhover brug, Voorstersluis (NOP), Kadoelersluis.
Grote Gemalen.
A.F. Stroïnkgemaal Vollenhove: 3 pompen met een gezamenlijke capaciteit van 3000 m3
per minuut. Gemaal Zede Muden Zwartsluis:
ook 3 pompen maar met een gezamenlijke capaciteit van maar liefst 6000 m3
per minuut!
(Bron: IJsselhammer
29-03-2004
|
|
|