 | 800
jaar
oude
monumenten.
|

"Lute, heb je die mooie
paddestoel in die essenstobbe wel gezien in de Beeksteeg"?.
Dat kwam Tinus Franssens mij speciaal even vertellen. "Bedankt
Tinus".
De oudste monumenten van de Kop van Overijssel staan ongetwijfeld in
Steenwijkerwold. Daar in het houtwallen gebied is de buurt van het
duizenden jaren oude Reunendal zijn niet alleen meters dikke stenen en
geologische vondsten te vinden maar ook levende monumenten: essenstoven.
De grootste essenstoof (onderste stuk van een boom) heeft een
dwarsdoorsnede van drie meter (omvang bijna tien meter) en is te vinden in
het eerste deel van de Gelderingensteeg vanaf Café Gelderingen/R.K.
begraafplaats. De grootste essenstoof is ongeveer 800 jaar oud. Achttien
stoven zijn ouder dan 500 jaar. De eerste nederzettingen in het houtwallen
gebied werden al in de 12e eeuw gesticht (Thij). Hier vonden de
markebijeenkomsten plaats, waarvoor een door wallen omgeven grasveld
diende. Van hieruit werden ook de Hoogvenen van Ruxveen en Weerribben
ontgonnen (vanaf 1150). Voordat men met de venen begon had men eerst het
Wold (bos) van Steenwijkerwold leeg gekapt. Op deze ontgonnen gronden werd
in eerste instantie rogge verbouwd. Toen men vee ging houden waren er
afscheidingen nodig: houtwallen of meidoornhagen. En die houtwallen moest
men bij houden. Regelmatig kappen dus voor het boerengeriefhout. Essen en
eikenhout werd gebruikt voor gereedschapstelen en stekpalen (later). Een
afscheiding van wal of heg noemde men een Vre dinghe (zie Oldemarktse weg
163).
Ecologische waarde.
Naast een grote historische waarde hebben essenstoven een ecologische
waarde. De oude stoven vormen een leefgebied van zeldzame blad- en
levermossen dat hangt samen met het bijzondere microklimaat binnen de
stoven. Bijzondere bosplanten zijn er dus te vinden bij de zeer oude
hakhoutwallen. Wij noemen hier de Hondsroos, Heegeroo, Ruwbladige viltroos
en de Beklierde heggeroos en verder Gierstgras, Grote Muur, Schede
geelster en Bosanemoon, Speenkruid, Erepreis, Vogelmelk.
Hakhout.
Als de Es regelmatig bij de grond wordt gekapt (afgezet) loopt de
overgebleven stam weer uit met jonge takken. Bij herhaald afzetten
ontstaan essenstobben. Deze noemt men stoven. In de loop van de tijd
worden de stoven steeds hoger en komen los van elkaar te staan en het hart
van de boom sterft af en de randen blijven staan en men noemst ze 'kollanders¹,
bij hoge stobben noemt ze 'hindersteyners¹(bij eiken en beuken). De in
het verleden bewust aangeplante Es heeft een hakcyclus van één tot
twintig jaar, afhankelijkv an de takken of stammen (bonenstokken, dun) tot
stekpaal of brandhout (dik). Normaal kan een Es op leemgrond 200 jaar oud
worden en derig meter hoog. Essenstoven daarentegen kunnen wel meer dan
duizend jaar oud worden (groei 2 á 3 milimeter per jaar). Vindplaats
Woldberg, wallen rond Oldemarkt en Paasloo.
De houtwallen in Steenwijkerwold zijn verder om z¹n vele mooie bomen en
struiken vooral in het voorjaar erg mooi om hun bloeiende Sleedoorn (bloeit
tijdens koude week) en meidoornstruiken en hupen (ook koude periode
tijdens bloei) Verder vallen de vele hulststruiken, hazelaars, hopplanten,
bramen en Wilde framboos op. En vooral bij de Beek de Kardinaalsmuts en
Brem.
Gelderingen Steeg.
Het is zinvol om erg zuinig te zijn op dit stukje cultuur/natuur van dit
1000 jaar oude kerkepad waar mensen uit het lage land van Ruxveen en
Scarwolde langs trokken naar de kerk in Steenwijkerwold. In de Gelderse
oorlogen (rond 1523) zullen hier waarschijnlijk wel Gieterse troepen
langs getrokken zijn. Dit deel van de Kop van Overijssel lag immers op de
breuklijn van Friese en bisschoppelijke invloedssferen. Ga daarom de
wandeling eens maken vanaf Gelderingen naar het Reunedal. (De Reune is een
van de snelst stromende beekjes in Nederland met een verval van 20
meter, voorheen 26m, op circa 3 kilometer. Het Waterschap heeft de taak deze beek eens
weer in ere te herstellen).
In streektaal.
Bekketrekkers of sleien = blauwe eetbare vruchten van sleedoorn.
Spinnekoppen = rode vruchten (eetbaar) van meidoorn.
Literatuur:
Piet Bremer 1998, H. Bruinenberg 1959, Jan ten Hoven en F.D. Leiler 1996,
J. Kroes en Thol 1979, J.G. Molenaar en H.J.W. Schimmel 1984, 'T Wold II,
III, IV Lute Bouwer 1995-2000. Engels talige literatuur: H.C. Greven 1992,
G.F. Pietersen 1981, O. Rackham 1980.
|