 | “Over
de Wee en Ruxveen".
Hoewel anno 2005 de
boeren in dit gebied op één hand te tellen zijn, waren er vroeger
zeker 50 eigenaren (1601) voor dit 150 ha grote gebied. Een gebied dat
toen bestond uit “goede” (lage) en “kwade” (hoge) gronden en
“gieren”(gerende percelen).
Ruexvene, Roderixvene,
Rorixvene, Ruederixvene en Ruxveen zijn allemaal namen voor hetzelfde
gebied. Ruxveen omvatte ook de Wee (polder) en had zelfs een eigen
Verlaat aan de Steenwijker Aa (tot 1568).

Bij de tekening:
De loop van het sterk "meanderende"
riviertje de Aa.
Dat Verlaat lag ter hoogte van de Spijkerboor (slag in de Aa in de
vorm van een booromslag).
Anno 2005 staat daar aan de grens van “de rooie” oergrond
(ijzerhoudende grond) de
boerderij van Jan Schut (Jan van Nassauweg) en de boerderij van
Mevrouw Meulenberg (Hesselingendijk). De begrenzing van Ruxveen was de
Steenwijker Aa (zuidgrens). De Scholtensloot (westgrens met
Scheerwolde), Giethoorn, Haarsloot (noordgrens) en Oost Weedijk
(oostgrens). Reeds in 1422 kwam die naam al voor. In 1364 beleende
Graaf Albrecht van Beieren (wat een eind weg in die tijd) deze gronden
aan Roederic (ook Roderik van Voorst). Dit samen met Orc (Urk),
Emelwaerde (Emmeloord) en de hof te Tollebecke (Tollebeek).
Al die plaatsen zijn dus al eeuwen oud.
(hierover kunt u alles lezen in het nieuwste boek van Lute Bouwer
“Langs de Diek”).
Onze vriend Roederic van Voorst had z’n optrekje op de hoge
keileembult in Voorst bij Vollenhove.
Volgens J.D. van der Tuin is Ruxveen genoemd naar z’n belener
Roderick van Voorst evenals de ridders van de Eese en de Cranes (Kuinre)
de heersers van deze contreien. Het cartularium, daterende uit de 15e
eeuw, maakt in 1484 al
melding van rente in de vorm van 1/8
vat rode pachtboter, uitgaande van 4 dagmaten hooiland in
Roderixveen. Het 279 dagmaten (150 ha) grote Ruxveen heeft bestaan uit
hoge en lage gronden. Doordat de hoge zandkoppen er in 1930-1950 uit
zijn gehaald is daar niets meer van te vinden.
De gronden waren eigendom van de Landadel, gegoede burgerij (Steenwijk,
Steenwijkerwold), Wolderven, kerk en kleine eigenaren. Adel: Ludolp
van den Vhenen, Machteld Veen, Ense Kampen. Johan Bruijns en Jan Claes
burgemeester van Steenwijk dr. Polman,
hopman Coen Thesaurier Thymon Isebrands, Johannes Hartskamp enz. Erven:
‘t Goor, Oostenbringe, Schultinge, Brauweringe, Ten Dale.
(zie Wold II en III van Lute Bouwer)
Kerken: Noordwolde, Steenwijkerwold, Steenwijk.
Bij de foto:
Droge turf werd in "stoeken" gezet
Na de vervening.
Het westelijk Ruxveen is het laatst verveend vanaf het
Steenwijkerdiep (gegraven in 1626-1632) maar hier merendeels hoogveen.
De Wee (polder) loopt door tot de Steenwijker Aa (Verlaat). Het gebied
was eeuwenlang hooiland en had na het graven van het Steenwijkerdiep
reeds bedijking en was in die jaren merendeels in gebruik bij de
boeren van het hoge land, maar ze woonden er niet.
Zo was Jochem Roelofs in 1660 mulder (molenaar) van de watermolen in
de Wee. In 1650 was Dirck Claesen er maalman (molenaar). In 1853 kende
het gebied al een aantal grote watermolens. Eentje in Halfwegdiep en
één aan de Haarsloot (Froklage) en verder twee tjaskers. Molens
brandden aan de lopende band af. Doordat ze steeds het hoogste punt in
het landschap waren was blikseminslag altijd de oorzaak.
Even ten westen van Ruxveen, achter de Scholtensloot lag Rusland. In
1853 nog niet uitgeveend. Naast het huis waar nu Henk Schipper woont
aan de Wold Lakeweg stond links het kerkje van Scheerwolde dat in 1899
werd afgebroken.
Nieuwe bloei.
Ruxveen werd in 1924 opnieuw verkaveld en ontwaterd door de
Nederlandse Heidemaatschappij en de watermolen maakte plaats voor een
gemaal met daarin een houtgasmotor. Mijn vader Arend Bouwer (1904)
bediende dat gemaal in die jaren. Z’n ouderlijke boerderij
“Varwijk” staat er nog.
In de Weepolder werden toendertijd door Tonkens (burgemeester
Giethoorn) een viertal boerderijen gebouwd. Rond die tijd stonden er
veel grote molens o.a. in Woldlake 3, Halfweg 1, Haarsloot 2, Polder
Bijkerk 1, Knibbelspolder 1, Polder Tiel Groenestege/Dijkstal 1, enz.
In de jaren dertig/veertig werd alles opgenomen
in een veel groter geheel van de ontginning “Land van Vollenhove”
en alle molens verdwenen geruisloos ui het toen nog vrijwel boomloze
landschap.

Bij de foto:
Familietafereel uit het begin van de
jaren dertig bij de hoeve “Varwijk”in de Wheepolder met links
Albert Dijkstra, Albertje Dijkstra, de koffieschenkende Grietje
Bouwer, van der Heide, Arend Bouwer, Jan Bouwer en Lammigje Bouwer.
Meer over de Wheepolder kunt u lezen in ’t Wold I.
Varwijk was toen het grootste boerenbedrijf en anno 2004 nog!
De Lange Hooidijk ook wel Ruxvenerweg genoemd (1466) werd geheel
vergraven. De dijk liep vanaf de Woldlakeweg via de Ir. Luteijnweg via
de boerderijen in het land van Sleurink en Weys (stond watermolen bij)
naar de huidige Noordelijke Kanaaldijk en Hooidijk naar Tuk. Het hooi
ging dus via de Hooidijk naar de boerderij in Steenwijkerwold (Tuk) en
Steenwijk.
Lute
R. Bouwer
Bron: IJsselhammer nr.2 d.d.24-01-2005
|
 | “Molenplan
Scholtensloot".
Het vaststellen van een
windmolenlocatie door CDA-er Jan Bakker heeft nog al wat stof doen
opwaaien en zou volgens sommigen het CDA zelfs stemmen kunnen kosten.
De naam Scholtensloot duidt
op een oude turfvaart die tot 1930 liep vanaf het Steenwijkerdiep
(later kamp Lakeweg) schuin naar een punt circa 50m ten westen van de
huidige brug in de Ir. Luteynweg, daarna liep hij weer op de Wold (Lakeweg)
aan.
Dit geeft niet de juiste locatie aan van de gedachte molens, want die
ligt oostelijker in het oude Ruxveen.
Nu staan de plannenmakers van de Kop van Overijssel niet te wachten op
hoge windmolens met een ashoogte van 105m, zoals de krant ons wil doen
geloven. De molen van Klaas Jan Bakker in Nijeveen is 55m met een
vlucht van 44m. Zo’n grote hoogte lijkt mij dus volkomen
ontoelaatbaar. Theoretisch zouden
de nieuwe molens dan een hoogste roedepunt moeten hebben van
152 m! Daar heeft natuurlijk niemand behoefte aan, want men heeft
gekozen voor natuur en recreatie in de Kop en niet voor een
energiepark.
Ook de provincie Overijssel, NWH, IVN, Staatsbosbeheer, Natuur
monumenten, ANWB, VVV, recreatieondernemers enz. zullen hier dus tegen
zijn.
Net nu de Nederlandse regering “Tennet”
toestemming heeft gegeven om voor netbeheer DTE om een 580
kilometer lange kabel te leggen van Nederland naar Noorwegen, kan dan
zo’n overtollig, milieuvriendelijk windmolenpark z’n energie nog
wel kwijt op de Nederlandse consumentenmarkt?
Bio-energie
Voor de Kop van Overijssel is bio-energie een veel betere oplossing.
Evenals in Duisland en in Denemarken moet dat ook hier kunnen. De
riet-, bos- en struweelprodukten van de beide 10.000 ha grote
natuurreservaten, de groene containers, mest- en gierprodukten van de
landbouw zouden hier verwerkt kunnen worden met een behoorlijke
werkgelegenheid van o.a. landbouwers. Een plan geschikt voor de nodige
subsidie. Bovendien moet het “koolzaadplan”
nog werkelijkheid worden. Vroeger werd er massaal koolzaad
verbouwd in de polders van de Kop van Overijssel. Het wil hier dus
goed groeien. Bovendien is het ook nog eens een mooi gewas om te zien.
Lute Bouwer.
Bron IJsselhammer nr2: 24-01-2005.
|
 | “Objecten
aanvullende werkgelegenheid".
In
de dertiger jaren werden, voornamelijk uit het Westen van ons land,
talloze werklozen
van Rijkswege in de polders van Giethoorn en omgeving aan het werk
gezet.
Ze werden in diverse kampen langs het Steenwijkerdiep en Kanaal
Steenwijk
Beukers gehuisvest.
Ik heb inmiddels een vrij compleet overzicht samengesteld van alle
werkkampen uit die tijd.
Binnekort zal ik dat overzicht publiceren.
Hier alvast enkele foto's van die werkkampen.
werkkamp "Beenderibben"
werkkamp "Rotterdam-B"
onderwijzers,
kantoormensen enz.
Het eten was volgens de arbeiders wel goed:
maandag: erwtensoep
dinsdag en vrijdag: stamppot
woensdag, zaterdag en zondag: aardappels met groente
donderdag: bruine bonen of capucijners
Gemiddeld waren er in de jaren dertig 50.000 mensen werkzaam
voor "Objecten aanvullende werkgelegenheid".
Bij ons in de polder werden deze mensen ook vaak "DUW-arbeiders"
genoemd, weet u waarom???
|
 | “Stad
en Platteland".
“D’r
koem’n zwart’n in de kamp’n”.
Dit bericht ging als een lopend vuurtje door de polder. Het ging in
dit geval om de mensen die in de voormalige strafkampen zaten voor
N.S.B.ers en werklozenkampen. Er zaten in die kampen trouwens ook nog
jongens van de Duitse arbeidsdienst en hoeren, een gemengd gezelschap
dus. De “zwarten” (veel polderbewoners hadden nog nooit gekleurde
mensen gezien) waren in
dit geval Indische Nederlanders. Een korte tijd waren ze aanwezig (Woldlakeweg)
maar daarna kwamen de Ambonezen (nu Molukkers genoemd).
3500
Ambonese gezinnen waarvan het gezinshoofd
K.N.I.L. –militair (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) was,
kwamen er naar Nederland in 1954.
In
kamp Beenderibben kwamen Crams aanhangers en in de andere kampen de
RMS (Republiek Moluku Salatan) aanhangers. In kamp Pikbroek nu
“TWIN” zaten
vrijgezelle Ambonese jongens. Al gauw hadden wij contact met deze
jongens. Ze zaten overal te vissen en zochten werk. De jongens waren
naar Nederlandse begrippen ongekend goed getraind.
Een
jongen die veel bij ons over de vloer kwam wilde mij en m’n vader
leren “messen werpen”. Hij was daar bijzonder bedreven in. Zelfs
in het donker kon hij er goed mee omgaan. Op een meter of tien afstand
gooide hij het tamelijk zware mes tot op de centimeter nauwkeurig. Ook
in het “vanuit de heup” schieten
met een windbuks was hij een ware meester. Maar ook duiken kon hij als
de beste en hij was in staat eenden uit het Steenwijkerdiep te
plukken.
Toen
wij eens een punter huurden in Giethoorn was hij de sensatie van het
Wiede vanwege zijn duikprestaties.
De
jongens hadden veel krissen en dolken meegesmokkeld uit Indië. In de
militaire kleding die ze droegen hadden ze kogels genaaid in de naden.
In tijd van nood konden ze die er uit halen.
Over
het algemeen waren ze wel schrikachtig. Dat uitte zich vooral ’s
avonds in het donker. Wanneer één van ons naar de deur moest omdat
iemand “volluk” riep,
dan grepen de aanwezige Ambonezen onmiddellijk naar de heup (pistool)
en gingen met je mee naar de deur. Daar aan kon je zien dat ze uit een
oorlogsgebied kwamen. Toen voor hun de herfst voor de eerste keer
uitbrak bleven ze massaal weg. Op een gegeven moment kwam Nico er met
een rotgang aanfietsen en gooide de fiets tegen de schuur. Wat bleek?
Ze waren bang dat de winter kwam en hun plotseling zou overvallen.
Wij
hadden bij ons thuis nogal wat Ambonezen in het werk. De eerste keer
bleven ze na één dag werken weg en kwamen na een week pas weer
terug. Ze waren in Indië namelijk gewoon om eerst al het verdiende
geld op te maken en daarna pas verder te werken. Ja, dat moest je
allemaal maar weten. In de aardappelrooitijd reden we met een vracht
graanschoven naar huis om te gaan eten.
Een
twintigtal Ambonezen zat boven op het voer graan. Onderweg ontdekte ik
een haas midden in het weiland. Ik wees de jongens op de haas en even
later was het net een explosie, iedereen vloog een kant op. De haas
schrok zich half dood en vloog weg. Maar in korte tijd was hij
ingesloten door schreeuwende Molukkers. Van schrik kroop het dier in
de kant van een sloot, waar ze hem zo konden overmeesteren.
Soms
hadden ze feest en werden wij ook uitgenodigd. De zanggroepen, het
Indisch eten en die gastvrijheid, het was geweldig!
Na
verloop van tijd vertrokken de Ambonezen naar andere kampen in
Nederland en de bewoners van Beenderibben vertrokken in 1963 weer
terug naar Indonesië.
Lute
Bouwer.
Bron:
IJsselhammer nr1, 10-01-2005.
|
|