jan 2005

Start
Kennismaking
Literatuur
Fotopagina
Streekprodukten
erven en hoeven
Knipselkrant
Contact
Links + zoeken
Gastenboek


<<< terug 


Over de Wee en Ruxveen".
Hoewel anno 2005 de boeren in dit gebied op één hand te tellen zijn, waren er vroeger zeker 50 eigenaren (1601) voor dit 150 ha grote gebied. Een gebied dat toen bestond uit “goede” (lage) en “kwade” (hoge) gronden en “gieren”(gerende percelen).
Ruexvene, Roderixvene, Rorixvene, Ruederixvene en Ruxveen zijn allemaal namen voor hetzelfde gebied. Ruxveen omvatte ook de Wee (polder) en had zelfs een eigen Verlaat aan de Steenwijker Aa (tot 1568).


Bij de tekening:
De loop van het sterk  "meanderende"  riviertje de Aa.

Dat Verlaat lag ter hoogte van de Spijkerboor (slag in de Aa in de vorm van een booromslag).
Anno 2005 staat daar aan de grens van “de rooie” oergrond (ijzerhoudende grond)  de boerderij van Jan Schut (Jan van Nassauweg) en de boerderij van Mevrouw Meulenberg (Hesselingendijk). De begrenzing van Ruxveen was de Steenwijker Aa (zuidgrens). De Scholtensloot (westgrens met Scheerwolde), Giethoorn, Haarsloot (noordgrens) en Oost Weedijk (oostgrens). Reeds in 1422 kwam die naam al voor. In 1364 beleende Graaf Albrecht van Beieren (wat een eind weg in die tijd) deze gronden aan Roederic (ook Roderik van Voorst). Dit samen met Orc (Urk), Emelwaerde (Emmeloord) en de hof te Tollebecke (Tollebeek).
Al die plaatsen zijn dus al eeuwen oud.
(hierover kunt u alles lezen in het nieuwste boek van Lute Bouwer “Langs de Diek”).

Onze vriend Roederic van Voorst had z’n optrekje op de hoge keileembult in Voorst bij Vollenhove.
Volgens J.D. van der Tuin is Ruxveen genoemd naar z’n belener Roderick van Voorst evenals de ridders van de Eese en de Cranes (Kuinre) de heersers van deze contreien. Het cartularium, daterende uit de 15e eeuw, maakt in  1484 al melding van rente in de vorm van 1/8  vat rode pachtboter, uitgaande van 4 dagmaten hooiland in Roderixveen. Het 279 dagmaten (150 ha) grote Ruxveen heeft bestaan uit hoge en lage gronden. Doordat de hoge zandkoppen er in 1930-1950 uit zijn gehaald is daar niets meer van te vinden.

De gronden waren eigendom van de Landadel, gegoede burgerij (Steenwijk, Steenwijkerwold), Wolderven, kerk en kleine eigenaren. Adel: Ludolp van den Vhenen, Machteld Veen, Ense Kampen. Johan Bruijns en Jan Claes burgemeester van Steenwijk dr. Polman, hopman Coen Thesaurier Thymon Isebrands, Johannes Hartskamp enz. Erven: ‘t Goor, Oostenbringe, Schultinge, Brauweringe, Ten Dale. 
(zie Wold II en III van Lute Bouwer
)
Kerken: Noordwolde, Steenwijkerwold, Steenwijk.

  
Bij de foto:
Droge turf werd in "stoeken"  gezet


Na de vervening.
Het westelijk Ruxveen is het laatst verveend vanaf het Steenwijkerdiep (gegraven in 1626-1632) maar hier merendeels hoogveen.
De Wee (polder) loopt door tot de Steenwijker Aa (Verlaat). Het gebied was eeuwenlang hooiland en had na het graven van het Steenwijkerdiep reeds bedijking en was in die jaren merendeels in gebruik bij de boeren van het hoge land, maar ze woonden er niet.
Zo was Jochem Roelofs in 1660 mulder (molenaar) van de watermolen in de Wee. In 1650 was Dirck Claesen er maalman (molenaar). In 1853 kende het gebied al een aantal grote watermolens. Eentje in Halfwegdiep en één aan de Haarsloot (Froklage) en verder twee tjaskers. Molens brandden aan de lopende band af. Doordat ze steeds het hoogste punt in het landschap waren was blikseminslag altijd de oorzaak.
Even ten westen van Ruxveen, achter de Scholtensloot lag Rusland. In 1853 nog niet uitgeveend. Naast het huis waar nu Henk Schipper woont aan de Wold Lakeweg stond links het kerkje van Scheerwolde dat in 1899 werd afgebroken.

Nieuwe bloei.

Ruxveen werd in 1924 opnieuw verkaveld en ontwaterd door de Nederlandse Heidemaatschappij en de watermolen maakte plaats voor een gemaal met daarin een houtgasmotor. Mijn vader Arend Bouwer (1904) bediende dat gemaal in die jaren. Z’n ouderlijke boerderij “Varwijk” staat er nog.
In de Weepolder werden toendertijd door Tonkens (burgemeester Giethoorn) een viertal boerderijen gebouwd. Rond die tijd stonden er veel grote molens o.a. in Woldlake 3, Halfweg 1, Haarsloot 2, Polder Bijkerk 1, Knibbelspolder 1, Polder Tiel Groenestege/Dijkstal 1, enz.
In de jaren dertig/veertig werd alles  opgenomen in een veel groter geheel van de ontginning “Land van Vollenhove” en alle molens verdwenen geruisloos ui het toen nog vrijwel boomloze landschap.

 
Bij de foto:
Familietafereel uit het begin van de jaren dertig bij de hoeve “Varwijk”in de Wheepolder met links Albert Dijkstra, Albertje Dijkstra, de koffieschenkende Grietje Bouwer, van der Heide, Arend Bouwer, Jan Bouwer en Lammigje Bouwer. Meer over de Wheepolder kunt u lezen in ’t Wold I. 
Varwijk was toen het grootste boerenbedrijf en anno 2004 nog!

De Lange Hooidijk ook wel Ruxvenerweg genoemd (1466) werd geheel vergraven. De dijk liep vanaf de Woldlakeweg via de Ir. Luteijnweg via de boerderijen in het land van Sleurink en Weys (stond watermolen bij) naar de huidige Noordelijke Kanaaldijk en Hooidijk naar Tuk. Het hooi ging dus via de Hooidijk naar de boerderij in Steenwijkerwold (Tuk) en Steenwijk.

Lute R. Bouwer
Bron: IJsselhammer nr.2 d.d.24-01-2005

 
Molenplan Scholtensloot".
Het vaststellen van een windmolenlocatie door CDA-er Jan Bakker heeft nog al wat stof doen opwaaien en zou volgens sommigen het CDA zelfs stemmen kunnen kosten.
De naam Scholtensloot duidt op een oude turfvaart die tot 1930 liep vanaf het Steenwijkerdiep (later kamp Lakeweg) schuin naar een punt circa 50m ten westen van de huidige brug in de Ir. Luteynweg, daarna liep hij weer op de Wold (Lakeweg) aan.
Dit geeft niet de juiste locatie aan van de gedachte molens, want die ligt oostelijker in het oude Ruxveen.
Nu staan de plannenmakers van de Kop van Overijssel niet te wachten op hoge windmolens met een ashoogte van 105m, zoals de krant ons wil doen geloven. De molen van Klaas Jan Bakker in Nijeveen is 55m met een vlucht van 44m. Zo’n grote hoogte lijkt mij dus volkomen ontoelaatbaar. Theoretisch zouden  de nieuwe molens dan een hoogste roedepunt moeten hebben van 152 m! Daar heeft natuurlijk niemand behoefte aan, want men heeft gekozen voor natuur en recreatie in de Kop en niet voor een energiepark.
Ook de provincie Overijssel, NWH, IVN, Staatsbosbeheer, Natuur monumenten, ANWB, VVV, recreatieondernemers enz. zullen hier dus tegen zijn.
Net nu de Nederlandse regering “Tennet”  toestemming heeft gegeven om voor netbeheer DTE om een 580 kilometer lange kabel te leggen van Nederland naar Noorwegen, kan dan zo’n overtollig, milieuvriendelijk windmolenpark z’n energie nog wel kwijt op de Nederlandse consumentenmarkt?

Bio-energie

Voor de Kop van Overijssel is bio-energie een veel betere oplossing. Evenals in Duisland en in Denemarken moet dat ook hier kunnen. De riet-, bos- en struweelprodukten van de beide 10.000 ha grote natuurreservaten, de groene containers, mest- en gierprodukten van de landbouw zouden hier verwerkt kunnen worden met een behoorlijke werkgelegenheid van o.a. landbouwers. Een plan geschikt voor de nodige subsidie. Bovendien moet het “koolzaadplan”  nog werkelijkheid worden. Vroeger werd er massaal koolzaad verbouwd in de polders van de Kop van Overijssel. Het wil hier dus goed groeien. Bovendien is het ook nog eens een mooi gewas om te zien.


Lute Bouwer.

Bron IJsselhammer nr2: 24-01-2005.

 
Objecten aanvullende werkgelegenheid".
In de dertiger jaren werden, voornamelijk uit het Westen van ons land, talloze werklozen
van Rijkswege in de polders van Giethoorn en omgeving aan het werk gezet.
Ze werden in diverse kampen langs het Steenwijkerdiep en Kanaal Steenwijk
Beukers gehuisvest.
Ik heb inmiddels een vrij compleet overzicht samengesteld van alle werkkampen uit die tijd.
Binnekort zal ik dat overzicht publiceren.
Hier alvast enkele foto's van die werkkampen.

  werkkamp "Beenderibben"

  werkkamp "Rotterdam-B"

  onderwijzers, kantoormensen enz.

Het eten was volgens de arbeiders wel goed:
maandag: erwtensoep
dinsdag en vrijdag: stamppot
woensdag, zaterdag en zondag: aardappels met groente
donderdag: bruine bonen of capucijners

Gemiddeld waren er in de jaren dertig 50.000 mensen werkzaam
voor "Objecten aanvullende werkgelegenheid".
Bij ons in de polder werden deze mensen ook vaak "DUW-arbeiders"
genoemd, weet u waarom???

 
Stad en Platteland".
“D’r koem’n zwart’n in de kamp’n”.
Dit bericht ging als een lopend vuurtje door de polder. Het ging in dit geval om de mensen die in de voormalige strafkampen zaten voor N.S.B.ers en werklozenkampen. Er zaten in die kampen trouwens ook nog jongens van de Duitse arbeidsdienst en hoeren, een gemengd gezelschap dus. De “zwarten” (veel polderbewoners hadden nog nooit gekleurde mensen gezien)  waren in dit geval Indische Nederlanders. Een korte tijd waren ze aanwezig (Woldlakeweg) maar daarna kwamen de Ambonezen (nu Molukkers genoemd).

3500 Ambonese gezinnen waarvan het gezinshoofd  K.N.I.L. –militair (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) was, kwamen er naar Nederland in 1954.

In kamp Beenderibben kwamen Crams aanhangers en in de andere kampen de RMS (Republiek Moluku Salatan) aanhangers. In kamp Pikbroek nu “TWIN”  zaten vrijgezelle Ambonese jongens. Al gauw hadden wij contact met deze jongens. Ze zaten overal te vissen en zochten werk. De jongens waren naar Nederlandse begrippen ongekend goed getraind.  

 

Een jongen die veel bij ons over de vloer kwam wilde mij en m’n vader leren “messen werpen”. Hij was daar bijzonder bedreven in. Zelfs in het donker kon hij er goed mee omgaan. Op een meter of tien afstand gooide hij het tamelijk zware mes tot op de centimeter nauwkeurig. Ook in het “vanuit de heup”  schieten met een windbuks was hij een ware meester. Maar ook duiken kon hij als de beste en hij was in staat eenden uit het Steenwijkerdiep te plukken.

Toen wij eens een punter huurden in Giethoorn was hij de sensatie van het Wiede vanwege zijn duikprestaties.

De jongens hadden veel krissen en dolken meegesmokkeld uit Indië. In de militaire kleding die ze droegen hadden ze kogels genaaid in de naden. In tijd van nood konden ze die er uit halen.

Over het algemeen waren ze wel schrikachtig. Dat uitte zich vooral ’s avonds in het donker. Wanneer één van ons naar de deur moest omdat iemand “volluk”  riep, dan grepen de aanwezige Ambonezen onmiddellijk naar de heup (pistool) en gingen met je mee naar de deur. Daar aan kon je zien dat ze uit een oorlogsgebied kwamen. Toen voor hun de herfst voor de eerste keer uitbrak bleven ze massaal weg. Op een gegeven moment kwam Nico er met een rotgang aanfietsen en gooide de fiets tegen de schuur. Wat bleek? Ze waren bang dat de winter kwam en hun plotseling zou overvallen.

Wij hadden bij ons thuis nogal wat Ambonezen in het werk. De eerste keer bleven ze na één dag werken weg en kwamen na een week pas weer terug. Ze waren in Indië namelijk gewoon om eerst al het verdiende geld op te maken en daarna pas verder te werken. Ja, dat moest je allemaal maar weten. In de aardappelrooitijd reden we met een vracht graanschoven naar huis om te gaan eten.
Een twintigtal Ambonezen zat boven op het voer graan. Onderweg ontdekte ik een haas midden in het weiland. Ik wees de jongens op de haas en even later was het net een explosie, iedereen vloog een kant op. De haas schrok zich half dood en vloog weg. Maar in korte tijd was hij ingesloten door schreeuwende Molukkers. Van schrik kroop het dier in de kant van een sloot, waar ze hem zo konden overmeesteren.

Soms hadden ze feest en werden wij ook uitgenodigd. De zanggroepen,  het Indisch eten en die gastvrijheid, het was geweldig!

Na verloop van tijd vertrokken de Ambonezen naar andere kampen in Nederland en de bewoners van Beenderibben vertrokken in 1963 weer terug naar Indonesië.

 Lute Bouwer.

Bron: IJsselhammer nr1, 10-01-2005.