|










| |
<<<
TERUG
 | Giethoorn
- Kasteel of Huize Daalhof
Giethoorn
heeft vroeger een huis of kasteel bezeten. Het heette Daalhof en
Dalhof en
werd bewoond door een oud adelijk geslacht Van Renoy. Soms hangt een
historie
van een dorp nauw samen met de historie van een daar gewoond hebbend
roemrucht geslacht, een kasteel, een huis, een bekende familie of iets
dergelijks. Daarvan is dan
soms weer een dorpswapen afgeleid. Van een dorpswapen is in Giethoorn
niets bekend, maar de familie Van Renoy is in 1129 al bekend als
landadel. Volgens overlering moet
het kasteel heel groot zijn geweest. Verveners stuitten in 1824 op de
fundamenten van dit kasteel. Het perceel waarop het huis stond noemde
men tot de jaren dertig de Delhof. Daarna met
de drooglegging onderdeel van de nieuwe polder. Een kelk,
gebruikt als avondmaalbeker in de Protestantse kerk, houdt de
herinneringen aan de bewoners
van de Daalhof levend. Boven de wapens van de geslachten Sloet en van
Renoy, respectievelijk een halve maan en schuine balken,staat de
tekst:
DE WEL EDELE JUFFEROU MACHTELT SLOET WEDUWE RENOY HEEFT DESEN BEEKER
TOT EEN GEDACHTENIS AN DE KERKE TOT GEITHOORN GEGEVEN ENT JAER 1638.
In 1633 hadden Boldewijn Van Renoy en zijn vrouw Machtelt deze kerk al
een klok geschonken. Later vond men op de kasteelplaats nog wel
pijpekoppen, munten en gebroken aardewerk. Het kasteel wat stamde uit
de tijd van Karel de Vijfde (werd in 1515 koning ) werd in1690
afgebroken. Volgens oude Gietersen moet het kasteel in de buurt van de
Bouwersgracht hebben gelegen en die liep vroeger door tot in Giethoorn
Noord. Tussen de boerderijen Vosbergen (kanaalweg 18) en Haamstede op
nummer 17 zou men de kasteelplaats moeten zoeken, weer anderen zeggen
achter Beulakerweg 100. De hoek aan de Bouwersvaart was natuurlijk wel
een stratechiese plaats, aan de
vaarroute naar de Arembergergracht waarlangs de turf ging naar
Blokzijl en Zwartsluis.
Wie waren nu deze
mensen met dat blauwe bloed? De
vader van kasteelheer Boldewijn was Aert Van Renoy, geboren in
Coevordenen later Rentmeester van Vollenhove en Kuinre.Boldewijn was
in 1616 getrouwd met Machteld van Sloet (1591) en dochter van Reynt
van Sloet (1560) uit Vollenhove. De zoon van Boldewijn en Machteld
heette Aert of Arend Jan (1618) Van Renoy en trouwde in 1642 met
Cornelia van Dussen.
Het verhaal uit
overlevering is een heel ander verhaal.
Volgens die overleverings versie zoude er twee broers geweest zijn,
die beiden verliefd werden op de zelfde dienstmaagd. Om uit de
problemen te komen vermoorde de ene broer de andere, waarna de
moordenaar de wijk nam naar het buitenland.
Andere oude erves in Giethoorn;
Gethorne 1230,
Beuijserve 1452,
Blomenerve 1453
Wonningerve 1452.
Bronnen en archieven
Giethoorn van Lute Bouwer
Slicher van Bath,Mensch en land in de Middeleeuwen
Punterend door Giethoorn,Tom Vos
Giethoorn ons Hollands Venetie,Broer
Boerderijen en hun bewoners
polder,Piet Meulenberg
Langs Wieden en grachten,Harm Schelhaas
Uit de geschiedenis van Brederwiede,T.R.Stegeman
Archieven Lute Bouwer
|
INDEX ^
|
 |
Kwikkels.
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
Een van de mooiste dorpen in de Kop van Overijssel is ongetwijfeld
Kwikkels of Quickelo.
Kwikkels ligt aan de bovenloop van het beekje de Reune. De Reune is
het snelst stromende
riviertje van Nederland met een verval van 26 meter op circa zes
kilometer (1825). Na de aanleg van de spoorlijn in 1868 en autoweg is
dat aanzienlijk minder geworden. Een Steenwijkerwoldiger zegt tegen
elk beekje Reune, wat water betekent. Ten Noorden van de Reune liggen
verder nog De Beek en De Wheer.
Je kunt zeggen dat het oer oude waterlopen zijn.
Omliggende heuvels (Kampen) zijn dan ook al zo’n 60.000 jaar
oud. Een tijdje geleden vond de heer Wiersma nog een kling uit de tijd
van de Neanderthalers, een volk dat zo’n 45.000 jaar geleden leefde.
Trouwens als je hier bij Kwkkels soms het pas geploegde Reunedal ziet
liggen, dan denk je bij je zelf, hoe krijgt Wisman hier zijn ploeg
doorheen. Het barst er immers van de stenen.
Ook moet in deze contreien in de 17e eeuw het Tafelstuk gelegen
hebben, wat zou kunnen duiden op een Hunebed.
Trouwens in de hele strook tussen Woldberg en Paasloo zijn vele tonnen
zware stenen gevonden.
De naam Kwikkels of Qiucelo is ontstaan voor de erfaanduiding Bensinge.
Volgens geschiedkenner Pe
Plat zijn de bewoners daar in 18e eeuw over ingelicht,
toen de Drost van
Vollenhove Jaan van Raesvelt toe Quickelo
“te peerde" het Hogehius in
Thij bezocht om daar zitting te houden. Jan was indertijd Kastelijn
(kasteelheer van de Heerlijkheid Cuinder nu Kuinre. (zie boek Langs de
diek van
Lute Bouwer
).
Het woord Quick laat zich naar het Steenwijkerwolds vertalen als
kwiek, met als betekenis mooi. Lo of Loo staat voor bos (Zie ook
Paasloo, in het boek Rond de Ribben)
Kortweg kun je dus zeggen “Mooi bos".
Quickelo lag aan de Friesche Stege, die van af de watertoren via
Kwikkels naar het Noorden liep.
Het oude tracé van deze Oude Frieseweg werd in 1900 verkocht aan Lute
Wisman en Roelof Meine van Essen.
De Friesche Stege vormde tot ca 1800 (tijd Napoleon) via deHerenweg of
Heerweg de weg naar Friesland. Naar het Noorden toe is het tracé nog
duidelijk zichtbaar door de gelijnde huizenbouw in de landerijen.
Het beste is dat te zien vanuit de Bakkerssteeg. De Saksische
boerderijen van Kwikkels zijn fotogeniek.
In 1545 werd vermeld Arve op Steenwijckerwolt op
"t oisteinde an den Hoogenkamp”.
In de 18e eeuw werd het erf nader aangeduid als Bensinge, of te
Kwikkels.
Verband met het erf Benzinge hadden in de 18e eeuw de namen Blokzijl
en Kempen (polder) .
Verband met het erf Helmeringe hadden in 18e eeuw Jan Pieters op't
Thij en Meester Andries Tjeerts Koster en Jan ter Hel. Als we dan in
1953 gaan kijken dan wonen daar op dat moment Hendrik Hetebrij
Bartzoon en Lute Wisman Volkertzoon.
De beide erves Bensinge (kwikkels) en Helmeringe zijn er in feite nog.
Mogelijk werden het slot
Quikelo en Uvinge (Basse zie Wold 2 ) in 1413 verwoest.
Meestal kun je aan de grond zien of er vroeger ook grachten zijn
geweest. Ik meen Wisman er wel eens over gehoord te hebben. Van Uvinge
weet ik niets, mogelijk weet iemand uit Basse daar iets over.
Ten Noorden van Kwikkels werd vijftig jaar geleden nog geschaatst op
ondergelopen land langs de Reune.

Anno 2006 zit er nog steeds een familie Wisman (Kwikkels 2 en 4), die
sinds lange tijd een loonbedrijf hebben. Wisman heeft zich toegelegd
op landbouw loonwerk, transport en grondwerken.
Op de andere lokatie Kwikkels 3 zit sinds 1990 kwekerij “De
Goene Prins" van Hans
Prins. In eerste instantie is de Kwekerij begonnen met een collectie
bamboe maar ondertussen uitgegroeid tot een een jungletuin, met de
meest excotische tuinplanten zoals palmen, comellias,
bamboe enz.
Ook citrus vruchten als mandarijnen, sinaasappelen, citroenen,
kunquats en grapefruits worden gekweekt. In het voorste deel van de
boerderij woont de familie Pock.
INDEX ^
HALFWEG DIEP
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
Halfweg Diep bestaat anno 2006 maar uit een paar huizen en dat is niet
altijd al zo geweest.
Het gehucht wat ooit in haar bloeitijd wel 550
bewoners telde en men wilde er zestig jaar geleden zelfs een
polderkern van maken. Ik denk dat de de eerste mensen er zo rond 1632
gingen wonen. In dat jaar kwam na zes jaar graven het Nieuwe Diep
gereed, wat men later het Steenwijkerdiep zou noemen. Tufmakers
hielden wel van
bedrijvigheid en het werk lag gewoon achter het huis. Het Nieuwe Diep
was 22 meter breed, terwijl de Steenwijker Aa maar 4 meter breed was.
De kern van Halfweg vormden zo rond 1930 de grote watermolen en een
cafe. Rechts tegen over het cafe van Joukien lag de Blauwhofsvaart,
die ook wel Boksloot of Borgerssloot genoemd werd. Op die plaats ligt
nu ongeveer de tocht. Via die vaart kon je naar het gehucht Rusland,
wat tussen deze vaart en de Lakedijk in lag. Daar aan de Borgersloot
stond een watermolen,
waarnaast tot 1940 de familie Jonker woonde. Bij die molen was ook nog
een verlaat of sluisje. Dit alles lag tegen een grote zandkop, “De
Hoogten", die ze
later hebben afgegraven. Die zandkop, "De Hoogten", was
een echte bouwkamp. Van hier uit lag er een voetpaadje langs de
Borgervaart van de Hooidijk naar het Diep. Vanaf de molen van Jonker
was er dan nog een paadje naar de Hesselingendijk.Tussen Halfweg en de
Lakedijk (nu Woldlakeweg). Daar kwam de Scholtensloot in het
Steenwijkerdiep. Deze diepe vaart liep eerst schuin op de Borgervaart
aan, maar boog daarna af naar het Noordwesten. De Scholtensloot was de
grenssloot tussen Scheerwolde en Steenwijkerwold. Op de kaarten van
1905 en 1921 zijn de namen van Scholtensloot en Borgersloot
omgewisseld, wat veel verwarringen kan geven. Via deze turfvaarten
werd de turf via de Aa en later via
het Nieuwe Diep naar de eindbestemming gevaren.
Ik weet haast wel zeker dat de brede
en diepe Scholtensloot een eerdere natuurlijke waterloop geweest moet
zijn, van bijvoorbeeld De Reune naar de Aa. De veenkavels van
Scheerwolde stonden haaks op deze grensvaart (Oost-West). De
veenkavels van Halfweg lagen haaks op het Steenwijkerdiep, vandaar ook
het ontstaan van die woonkern. Het Steenijkerdiep kende nog een paar
plaatsen waar eerst veenhutten en later huizen bij elkaar stonden;
Eind van ‘t Diep, Wee of Whee en rond Diep Zuidzijde 2 thans.Langs
het Diep was een truilpad met een tiental bruggen over dwarsvaarten.
Aan beide zijden van het Diep stonden grote molens (negen stuks ).
Allerlei typen waren dat, spinnekoppen, bovenkruiende poldermolens en
tjaskers. Een prachtig landschap dus. Trouwens ook het vogelleven was
uniek. Er waren zoveel weidevogels, dat je
alvorens te gaan maaien, eerst de eieren van het land moest
zoeken. Die eieren werden dan gegeten of verkocht.
Andere tijden.
Na 1920 braken andere tijden aan.Tot die tijd waren vissen, boeren,
turfmaken, molenaar, kroegen, jagen en stropen de hoofdmiddelen van
bestaan. Toen het Stroinkgemaal ging werken werd alles anders. Het
water zakte 70 centimeter en de watertrek was weg en de visvangsten
zakten dramatisch. Honderden beroepsvissers in De Kop van Overijssel
werden het slachtoffer ook in Halfweg waar
een viertal beroepsvissers
woonden. Volken Timmerman zette zijn netten in het Diep evenals
Hendrik Kuiper, Hendrik Jonker in de Hoogmansvaart en Jan de Wagt.
Paling en snoek waren de meest gangbare vissen.De paling werd veel
verkocht naar Belgie en Frankrijk. In 1921 werd het fietspad Steenwijk
Blokzijl aangelegd, waarin volgens Jan Lok uit Bokzijl wel 35
klaphekjes en bruggetjes zaten. Tot die tijd ging eigenlijk alles
grotendeels per boot. Er waren alleen voetpaden door het land naar
Eind van Diep, De Hoogten, De Zanden en Heerendijk.
In en rond Halfweg waren vier cafes, cafe Joukien (Timmerman-Hollander),
Froklage, Winters en Onderweegs. Daar kon je een turfmakers ontbijt
kopen, pannekoeken met spek en brandewijn en jenever. Ook clandestien
werd door de veenbazen de nodige drank verkocht. In Halfweg en directe
omgeving stonden ook aantal grote molens; De boven kruiende
poldermolens van Jan de Wagt, naam "Het is niet anders" van
de Kooys polder, die van Jonker op "de Hoogten"
bij Rusland, die van Kuiper van de Bijkerkspolder en die van
Klaas Jonker van de Knibbespolder.
Ondertussen werden door de Nederlandse Staat gronden gekocht en
onteigend. Voor een habbekrats werden, in de ogen van de
ontginningsingenieurs “waardeloze grond”
opgekocht.In de ogen van de bewoners waren het waardevolle
hooi-, wei-, veen- en rietlanden en viswateren. De polder van Halfweg
(nu) wordt dan in de volksmond ook wel eens de "Gestolen
polder van Halfweg genoemd "De Duits georienteerde
boerenorganisatie “De Landstand” kreeg
daarom nog al wat aanhang van de ontevreden grondbezitters, die voor
hen later ook nog een klein succesje binnenhaalde (Koekoek of Fortuyn
effect). Na de oorlog werden ze daar zwaar voor gestraft. Door al die
strubbelingen had de ontginning van Polder Halfweg vertraging
opgelopen en moest men eerst uitwijken naar polder Gelderingen.
Toen de gronden droog kwamen te liggen kon er ijzeroer worden gedolven
in een oude spijkerboor van de oude Aa. Een hele hoop van dit erts
werd toen gewonnen en opgeslagen aan het Diep.
Of het ook daadwerkelijk is verkocht aan de Hoogovens weet ik niet.
INDEX ^
De werklozen komen.
Zie ook het artikel in <Knipselkrant December
2005> met foto's !
Rond 1925 waren langs de zuidzijde van het Diep (nu nrs 1, 3 en 6 ) al
een drietal mooie
boerderijen gebouwd en in 1924 kwamen er ook al een drietal gereed aan
de Noordzijde van het Diep, in de Weepolder. Met het graven van de
kanalen van Steenwijk naar Beukers en Ossenzijl (1924 en1926) brak het
grote geweld los. Voordat de kanalen op juiste diepte en breedte waren
waren er al een tiental jaren verstreken en had ook Halfweg in 1934
zijn eigen brug Dat baggeren ging trouwens jaren door. Ik heb veel
baggermachies in het Diep zien liggen. De verdere ontwikkelingen
gingen razend snel. Eerst werden er werkkampen gebouwd langs het
kanaal van Steenwijk naar Giethoorn en op De Zanden en daarna volgde
Halfweg.
|
Naam
werkkamp
|
Bewoners
beheerder
|
In
gebruik
van/tot
|
Locatie
anno 2006
|
Bewoners
nu
|
|
1.
Rotterdam A
|
96
|
1929-1939
|
Hesselingendijk 7
|
Truus Meulenberg
|
| 2.
Rotterdam
B |
96 |
1929-1939 |
Kruising
Smalleweg/Jan v. Nassauweg |
Aalbers |
|
3.
Halfweg
|
96
|
1937-1943
|
Hesselingendijk 16
|
Piet Schut
|
|
4.
Steenwijkerdiep
|
120
|
1937-1943
|
Steenwijkerdiep ZZ
8
|
Henk en Mietra van
der Wielen
|
|
5. Lakeweg
|
96
Bruinsma en Visser 1938-40
|
1937-1997
|
Steenwijkerdiep NZ
11
|
J.de Bode-E.K.A.
Cornelisse
|
|
6.
Pikbroek
|
96
Burggraaf en Boers tot 1953
|
1937-heden
|
Steenwijkerdiep NZ
16
|
Nu De Twin
=tweeling
|
| 7.
Papendrechtsekamp |
96 |
1927-1934 |
beulakerpolder
Vosjacht, Hubanet |
Kanaaldijk
5 |
| 8.
Haagsekamp |
96 Lommel |
1927-1934 |
Oude kerkweg |
Kanaaldijk 14 |
| 9.
Utrechtsekamp |
96 |
1927-1934 |
Heerenbrug |
Kanaaldijk
13 |
| 10.
Rotterdamsekamp |
96 |
1927-1934 |
Kanaaldijk, achter de Ned. Herv. kerk |
Heerendijk |
| 11.
Beenderibben |
400 |
1941-1960 |
Oeverweg
1 |
D.
Idsinga |
| 12.
Eind
van Diep |
96 |
1941-1978 |
Steenwijkwerdiep
Z12 |
J.
Riezebos |
| 13.
Kikkerij |
96 |
1941-1978 |
Steenwijkerdiep
Z11 |
F.
Bos |
14.
Roomse
gebouwen
|
ontspannings
gebouwen |
1927-1938
|
Beulakerweg
110
|
voor
dekampen
7, 8, 9, 10 en 16 |
15.
Hoeve
"De Kikkerij" |
ontspannings
gebouwen |
1940-1948 |
Oeverweg 8 |
voor
de kampen
11, 12 en 13. |
16.
Het
Onbekende kamp |
96 |
1929-1937 |
Kapelweg
1, Thijsengracht,
Kees Groen |
|
Zoals
u kunt zien, was Halfweg een tijdlang de kern van het poldergebeuren
en was men zelfs van plan er een dorp van te maken. Als je koks en
beheerders mee rekent, woonden er op dat moment zeker 550 mensen in
het gehucht. In de werkplaats van de werkverschaffing werkten ook nog
eens een man of tien. Deze werkplaats tussen de brugwachter en Jan
Jonker (nu) was een verzameling keten waarin werkpaatsen waren. Verder
werden daar kipkarren, kruiwagens, handgereedschap, locomotieven,
rails, wissels en bruggen opgeslagen. Ook waren er in de dertiger
jaren klinkerwegen gekomen (Hesselingendijk, Heerenweg) De Diepdijken
werden op een andere manier van een deklaag voorzien. Toen de boeren
kwamen was het werk van de werklozen voorbij en de kampen aan de
Zuidzijde van het Diep verdwenen, om deels elders te worden opgebouwd.
Dat afbreken ging onder dwang van de Duitsers en soms werden er gewoon
mensen van het fietspad geplukt.
Inzet van de werklozen 1929 - 1961
Tijdens de topjaren waren er van april tot november zo'n 1000-1500
arbeiders tegelijk aan het werk.
Als iedereen 3 maanden per jaar in de polder zou werken komt dat neer
op de volgende percentages
interne (in kamp) en externe werklozen.
Deze getallen laten zien hoeveel handarbeid de polder in de Kop van
overijssel gekost hebben.
| Jaartal |
Percentage |
Jaartal |
Percentage |
Jaartal |
Percentage |
Jaartal |
Percentage |
| 1927 |
onbekend |
1937 |
2080 |
1947 |
1100 |
1957 |
1820 |
| 1928 |
onbekend |
1938 |
2760 |
1948 |
1160 |
1958 |
1170 |
| 1929 |
1160 |
1939 |
2060 |
1949 |
1100 |
1959 |
768 |
| 1930 |
2160 |
1940 |
240 |
1950 |
1390 |
1960 |
348 |
| 1931 |
2920 |
1941 |
1780 |
1951 |
2332 |
1961 |
116 |
| 1932 |
1360 |
1942 |
1240 |
1952 |
2080 |
*
= DUW verdwijnt
Per jaar: delen door vier |
| 1933 |
1940 |
1943 |
220 |
1953 |
1608 |
| 1934 |
2480 |
1944 |
120 |
1954 |
920* |
| 1935 |
2200 |
1945 |
880 |
1955 |
1048 |
| 1936 |
2080 |
1946 |
420 |
1956 |
1444 |
De boerentijd.
Na de ontginningstijd waren de nieuwe boeren aan de beurt om een goed
gewas van het land te halen. Na 1945 kwamen de grote veranderingen, de
arbeid werd duur en de boeren mechaniseerden. Tot de dag van vandaag
is dat zo door gegaan. Een breed scala aan akkerbouwproducten verdween
van de velden. Op De Hoogten staan nu lelys en de rest van de akkers
is gevuld met gras, mais, aardappelen en soms koren. Enorme zware
grommende machines bewerken de landerijen in een handomdraai en daarna
zijn ze weer verdwenen. Alle wegen zijn intussen breder geworden en nu
voorzien van beton of asfalt en in 1950 is de Provinciale (Blokzijlse
weg) aangelegd, die alweer te smal is. De enige werkkampen die bleven
bestaan kregen allerlei inwoning te verwerken Zoals
werklozen, jongens van de arbeidsdienst, mannelijke Joden,
schippersgezinnen, hoeren, zigeuners, NSB-ers, Indische Nederlanders
(negers en kleurlingen), Ambonnezen en daarna weer Friese en Groningse
DUW-arbeiders. Kamp Lakeweg werd aangekocht door en sloopbedrijf en
later afgebroken en Pikbroek (naam van stuk Moerasland) werd een
vakantiekamp onder de naam De Twin.
Bronnen en
archieven:
Wold 1,2,3 en 4 van
Lute Bouwer
.
Giethoorn van
Lute Bouwer
.
IJsselhammer en Gieters Nijs
Archieven
Lute Bouwer
.
Opmerkingen kunt u kwijt bij, E-mailadres luteenroelie@hetnet.nl
INDEX ^ |
|
 | Scheerwolde
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
Scheerwolde is terug van weggeweest. Na eeuwen op de kaart gestaan te
hebben,vverdween het kort na de turfmakerstijd voor een lange tijd uit
beeld, om daarna in 1952 als spiksplinter nieuw dorp opnieuw ten
tonele te verschijnen. Scheerwolde,
Scaerwolde (1450), Scaerwold (13e eeuw), Scherwolde(1313)
Scherewolde (1411), Scaderwoude (1313), Scaderwolde (1395), Scarwolde
(1275), Scorerwolde (1522), Schaerwoude,
Scheerwoude, Schiewolde (1811), allemaal namem voor de vroegere
landstreek van circa 2200 hektare die zich uit strekte van Nederland
in het Westen tot Rusland in het Oosten met als grenswateren de
Roomsloot en Scholtensloot. Met aan de Zuidkant het Steenwijkerdiep (
eerst Aa stroom) en aan de
noordkant de Haarsloot. Waarschijnlijk bestond de kerk van Scheerwolde
al in 1141-1250 want al in 1279 werden er tienden betaald door pastoor
Wolfardus van Scarwolde. En van 1275 is er zelfs een officieel
document waarin staat dat Wolfardes ciens (cijns accijns ) aan de
bisscop van Utrecht. Het was een belasting in goederen zoals gierst en
hoenders. Bovendien moest Scarwolde elk jaar een valk leveren voor de
jacht van de bisschop. Verder is bekend dat de aan Sint Nicolaas
gewijde kerk ook een altaar voor Heilige Antonius bezat. Antonius was
erg geliefd in deze streken want hij was beschermheilige van de
veestallen. De Scheerwoldigers brachten offers in overleg met de
pastoor Wolfardus die als vicaris was aangesteld. De bewoners schonken
hem dan een hand vol roeden in cultuur gebrachte grond. Ze bouwden
voor hem daar op een huis bestaande uit ruwe houten planken en een
stal voor de paar koeien. En zo groeide daar midden in de rimboe en
water een stevige in het geloof verankerde parochie. Met de stichting
van een eigen parochie werd nu ook een eigen schoutambt een feit. Waar
kwamen de Scheerwoldenaren vandaan zult u zich afvragen. Deze
kolonisten waren verdreven uit het Zuiderzee gebied. Doordat de
Noordzee tussen Texel en Noord Holland door de duinen was gebroken
hadden de grote Noordzeegolven al snel de veengebieden in IJsselmeer
opgerold en de mensen vluchtten voor het water uit. Onze kolonisten
kwamen uit het gebied ten Oosten en ten Zuiden van Lemmer, Friezen
dus. Deze mensen vestigden zich rond de Aa delta bij het Gieterse
Meer. De latere Gietersen aan de Zuidkant, de Scheerwoldenaren aan de
Noordkant.De Westkant waar Muggenbeet nu ligt was toen waarschijnlijk
al deels bewoond. Vanuit de Kikkerij ontwikkelde zich nu Scheerwolde.
Uit kerkelijke archieven blijkt dat de vluchtenden door boeren van
Steenwijkerwold liefdelijk zijn opgenomen. Waarschijnlijk bedoelen ze
daarmee dat de mensen grond kregen van de scheren van
Steenwijkerwoldse boeren. Want de enige erves die ik van Scheerwolde
kon vinden hebben allemaal bekende Steenwijkerwoldse ervenamen zoals;
Ten Hothe-1311, Hesselinghe-1311, Heeringhe-1312, Coop ten Teyen-1311
Schultinghe-1313, Uvinghe-1312. Een scheer of schaar was een aandeel
in een gemeenschappelijke weide. In sommige marken werden onverdeelde
groenlanden scheren genoemd. Het is tevens een eenheid waarin het
aantal stuks veeberekend wordt dat men meent, es of kamp mag laten
grazen. Zo is een koe ook een schaar en een pink een halve schaar en
een vaars 3/4 schaar. 20 scharen mogen dus begraasd worden door 20
koeien, 26 vaarsen of 40 pinken. Een grote boer heeft dus een grote
schare of schere vee. De Scheerwoldenaren woonden dus op de gronden
van de bisschop die daaroor in gebruik waren bij de boeren van het
hoge land. De Scheerwoldenaren die niet van de bisschop afhankelijk
wilden zijn, die gingen onder andere naar Muggenbeet. Evenals dat met
de Gietersen het geval was verplaatsten de Scheerwoldenaren zich
steeds verder naar het Oosten. Al in 1311 worden de hierboven genoemde
hoeven in verband gebracht met Scheerwolde en we kunnen dus wel
aannemen dat ze toen al woonden in het gebied rond de Lake.
Aanvankelijk zullen ze daar eerst wat ontgonnen hebben en de bovenste
lagen turf er af gehaald hebben. Daarna begon de grootschalige
turfwinning en dat waren voor Scheerwolde de beste jaren.Turfvaarten
werden gegraven haaks op de Scholtensloot en later op de Wetering.
Centrum van de kleine nederzettingen was dus de Lakedijk waar tot 1890
een klein kerkje stond naast nummer 8 en tegenover nummer 7. In 1507
moet er ook nog een vorm van onderricht geweest zijn door "die
coster" die woonde op het "weere' land ten Zuiden van de
kerk. In1553 werd Johannes Matthiae er vicaris en koster en dat was
hij daar achtien jaar. Heer Jan werd hij door de mensen genoemd. Hij
moet de laatste koster geweest zijn. Het kosterijland werd al spoedig
,,Heere Jansland" genoemd en die grondaam kwam nog tot 1805 voor.
Op de plaats van de kerk is ooit nog een wijwaterbeker gevonden. Ik
heb van 1940 tot 1963 daar aan de Woldlakeweg gewoond maar wist daar
toen nog miets vanaf. Het bij de kerk behorende kerkhof lag een eindje
verder naar het Noorden aan de Hooidijk, nu Ir.Luteynweg. Scheerwolde
heeft in 1474 een zware pest epedemie gehad, want in dat jaar overleed
pastoor Heer Willem Clinse samen met zijn ouders aan de pest. Dit hele
gebied heette toen Rusland. De watersnoodramp van 1825 liet van
Scheerwolde niet veel over en wat er al stond aan woningen werd
weggespoeld of zeer zwaar beschadigd. In 1828 telt Scheerwolde nog zes
kleine woningen en de mensen die in die huizen woonde waren
onvermogend. Volgens de kaart staan er in 1840 helemaal geen huizen
meer in Scheerwolde, maar dat is niet waar want er verhuizen nog
steeds mensen vanuit dit gebied naar elders (de Haan). Aan de Noorkant
van de Lakeweg waren in 1850 nog een paar huizen concentraties evenals
op De Hoogten waar ook wat huizen stonden en waar ook een verlaat en
een molen was. Ook aan de Lakeweg stonden rond 1850 een vijftal
molens. Er waren dus een aantal polders ontstaan en de veenderij werd
opnieuw ter hand genomen en de laatste veen werd pas nu weggehaald.
Uit die tijd stammen ook nog de kroegjes die er nog heel lang waren.
In 1900 waren alle trekgaten van Rusland al best groenland geworden.
Vermoedelijk zijn Scheerwoldenaren hier al rond 1650 weggetrokken om
zich aan de Scherwoldiger Weteringe (in gebruik in 1573) te vestigen.
Door de vervening was ook de cultuurgrond opgeraakt en dat had in 1550
al tot gevolg dat boeren het dorp verlieten. In 1562 had pastoor
Hartgers dan ook maar 60 communicanten in zijn parochie. Ook toen
hadden ze al last van een gladde weg want de Armenvoogdij van
Scheerwolde notuleerd; Ds
Maurick heeft zijn qartier niet gevisiteerd, vermits zijn swackheit
ende gladdichheit van de weck. De kerk van Steenwijkerwold was
trouwens verplicht de armen van Scheerwolde te onderhouden, maar dat
vergaten ze ook wel eens.Trouwens in die tijd waren de Mennisten
(doopsgezinden) in Scheerwolde erg actief, dit zeer tegen de zin van
de Hervomde kerk. Ook zijn uit het verleden nog wat
schouten bekend zoals Roelof Uuterwuyk (1547) en
Gheert Luchesens de tweede schout van Scheerwolde.
Het
water gaat zakken
Als in 1920 het Stroinkgemaal zijn werk gaat doen, dan
is het gauw gebeurd met het ,,gevaer" (waterverkeer). Daarna
volgen de kanalen van Steenwijk naar Beukers en van Steenwijk naar
Ossenzijl. Al gauw worden overal poldergmalen geplaatst in polder
Giethoorn, Halfweg, Gelderingen en Wetering. Als een groot deel van de
polders droog komt te liggen word met de ontginning begonnen, waarbij
men gebruik maakt van veel werklozen die in een twaalftal werkkampen
worden ondergebracht. Daarna komen de boeren en die boeren hebben
arbeiders nodig zo redeneerde men. Daarvoor werd in 1932 al een
vijfhoekigplandorp gepland, het dorp Scheerwolde. Plannenmakers lopen
achter de feiten aan, want na de oorlog zijn boeren als gekken gaan
mechaniseren, dit allemaal ten koste van de arbeider. Op dinsdag 10
juni 1952 was het zover, de eerste schop werd in de grond gestoken
voor het nieuwe streekdorp Scheerwolde. Werklieden van aannemer
Huisman uit Steenwijk begonnen met het wegspitten van de teeltaarde
van het roggeveld. Er werd een begin gemaakt van een nieuw dorp, het
dorp Scheerwolde. De naam van het dorp werd ontleend aan de
armenvoogdij van Scheerwlolde, die behoorde tot het kerspel van die
naam. Stedebouwkundige Niepoth ontwierp hier een nieuw dorp waarin
volgens de eerst gegevens 132 woningen werden geprojecteerd, hiervan
zouden er dan 80 burgerwoningen worden. Het overige deel zou bestaan
uit arbeiderswonigen. Volgens plan zouden er moeten verrijzen een
school, een cafe en een grote en een kleine kerk. Het nieuwe
streekdorp groeide langzaam en op woensdag 1 juli 1953 kwam koningin
Juliana tijdens een werkbezoek aan de Kop van Overijssel een kijkje
nemen in dit centrumdorp, waar zij een gedenksteen onthulde.
Scheerwolde
telde in1958 ruim vijftig wonigen. Ondertussen waren er ook al een
aantal winkels gevestigd. In 1956 kwam er een Christelijke school, in
1965 een nieuw Streekcentrum ,,De Wielewaal", in 1969 de
ponymarkt, in 1972 een kleuterschool, in 2001 een eigen beeld
,,Staande otters", in ??? "Langebaan"
zwemkampioenschappen, Het
jonge dorp Scheerwolde kende in haar korte leven wel drie
herindelingen. Eerst behoorde het tot Steenwijkerwold, toen tot
IJsselham en nu tot de Gemeente Steenwijkerland. In 1932 plande men
ook een deel van het polderdorp op de plaats waar nu de kassen van
Boomkwekerij Piet Hanekamp staan. Deze gronden in Polder Halfweg
noemde men destijds ,,De Gesteulen polder'', omdat de vroegere
waterboeren veel te weinig kregen toen ze hun grond noodgedwongen aan
de staat moesten verkopen.
Het
Scheere Meer
Scheerwolde
zocht zijn eigen weg en ontwikkelde zich zelf. Het dorp op de grens
van boerenland, natuur en recreatie kan daar opden duur goed van
proviteren. Kleinschalige ondernemingen met bijvoorbeeld
streekproducten krijgen meer kansen.Scheerwolde wordt nu eindelijk een
beetje een waterdorp, een benaming waar het het vanuit zijn
geschiedenis recht op heeft, maar nooit heeft gekregen.
Het
Scheere Meer is de nieuwste ontwikkeling in Scheerwolde. Dit
grootschalige recreatie en woonproject zal in 2006 van start gaan. Het
plan voorziet in recreatiemeer, aanlegplaatsen voor boten, 36 kavels
voor woningen aan het water, 16 levensloopbestendige appartementen,
aanleg van een geintergreerd park aan de Brink.
Aantal
bewoners van Scheerwold door de jaren heen, inclusief Wetering en
Nederland;1675A-50, 1725A-175, 1748-229, 1764-290, 1795-256, 1818-183,
1849B-596, 1869-646, 1889-933.
A is
exclusief armen, B Scheerwolde bestaat nu niet meer.
Bronnen en
archieven
Archief Lute Bouwer
Boeken Wold 1, 2, 3,en 4 van Lute Bouwer
Boeken Langs de diek en Rond de ribben van Lute Bouwer
Bisschoppelijk archief
Archief Pe Plat
Wij in Steenwijkerwold van Henk Bruinenberg
Armenvoogdij van Scheerwolde van Jan Bakker
INDEX ^
|
|
 | Polders
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
De
Kop van Overijssel veur de darde keer op de skuppe.De
Kop van Overijssel veur de darde keer op de skuppe.
Aan het einde van de Middeleeuwen (1300) werd de
akkerbouw bovenop het hoogveen steeds moeilijker. Door inklinking van
de grond werd het steeds moerassiger.
Toen al werden er gewassen verbouwd zoals vlas.
Het begin van de turftijd brak aan. Na het hoogveen was het laagveen
aan de beurt (1300-1500). Zie ook het boek “Rond de Beulaker”.
In 1500 begon men met de bedrijfsmatige aanpak van de
turfwinning, de ‘Gouden Turftijd”
brak aan, kanalen en vaarten werden gegraven voor ontwatering
en turfafvoer. De 12.000 tot 16.500 hektare laagveen ging op
de schop. Eerst de zuidelijke kant (Wanneperveen, Giethoorn) en
later de NoordWest kant (Scheerwolde, Kalenberg, Muggenbeet enz.). En
ze gingen door totdat er alleen trekgaten of meren overbleven. En toen
kwam dus zo rond 1850 de kater! Alles
was op en er was geen werk meer, 80% water en kraggen en 20 %
bebouwing, wegen en vast land bleef over. Zo rond 1900 was
bijvoorbeeld in Giethoorn 75 % van de 180 boeren, keuterboer (1-5
koeien).
In Steenwijkerwold, Kalenbergen en Oldemarkt
bezat ongeveer 67 % van de 110 boeren en keureboeren al wat
rietcultuur en de rest had een bestaan in de visserij (500),
eendenvangst en jacht. Maar wel een armoedig bestaan.
Er was maar één oplossing, net zoals ze dat in
de Hollanden deden: maal alles droog en begin opnieuw. De komst van
het Stroinkgemaal was het begin van een nieuwe tijd: opnieuw begon men
met het graven van kanalen en tochten. De kanalen voor de boezembemaling
en de tochten voor onderbemaling.
Er kwamen nog een viertal grotere poldergemalen bij. In de eerste
instantie wilde men13.000 hektare inpolderen maar dat ging gelukkig
niet door, want het werden
er uiteindelijk 4000. Na het droogvallen van de polders werd het een
grote woestenij, want de vegetatie ging steeds harder groeien. Er
doken vreemde onkruiden op uit vroegere cultures. Tevens werden er een
groot aantal werkkampen opgezet en het spel kon opnieuw beginnen.
Alles moest opnieuw op de schop. Langs het kanaal
Steenwijk-Giethoorn werden drie kampen gezet en ook aan de Jan van
Nassauweg en Kapelweg kwamen er drie. Van de Beulaker tot het
Steenwijkerdiep ging alles ondersteboven. Tot de Heerendijk(weg) was
het Gieters en verder naar het Noorden Steenwijkerwold (Leiweg en Diep
zz).
Polder IV was
in de maak.

Foto “plan Stroink 1925”
Daarna kwam er een kink in de kabel. Polder Halfweg (Polder II)
was nog in het bezit van boeren uit Giethoorn, Halfweg, Wetering,
Muggenbeet en Kikkerij. Deze boeren dreigden maar weinig geld te
krijgen voor hun landerijen.
Het ging zelfs zo ver, dat men eerst Polder Gelderingen deels ging
aanleggen (deels Polder II). De werkkampen van de Jan van Nassauweg
verhuisden dus naar het Noorden. Later zou men Polder Halfweg toch nog
voor een habbekrats in handen krijgen. Ouderen noemen deze polder dan
ook nu nog de “Gestolen Polder”.
Door toedoen van de Duits georiënteerde boerenorganisatie “De
Landstand” kregen de boeren toch
nog ietsje meer dan verwacht. Hierdoor was een NSB sympathie geboren.
Aanvankelijk was Haskoning van plan zeven polders aan te leggen met
een gezamelijke oppervlakte van circa 13.000 ha, in 1921 zouden het er
uiteindelijk 4000 worden.
Hieronder treft u een opsomming aan van de waterstaatkundige
werkzaamheden in de polder.Veel werkzaamheden moesten “verplicht met
handkracht” gebeuren!
Sommige werken duurden daardoor erg lang. het was niet zo dat vele
handen licht werk maakten, want alle werk was zwaar.Door kraggen en
drijfzand moest men bouwputten van gemalen en werkputten soms vele
malen opnieuw doen omdat alles de volgende dag weer onder water stond.
Domeinpolders in de Kop van Overijssel (van 13.000 ha naar 4000 ha)
|
Naam
polder
|
werknaam
|
hectare
|
start
|
Eerste
boeren
|
|
Polder
Giethoorn
|
Polder IV
|
1390
(proefpolder)
|
1928
|
1937
|
|
Polder
Gelderingen
|
Polder II en
IV
|
800
|
1932
|
1940
|
|
Polder
Halfweg
|
Polder II
|
940
|
1938
|
1947
|
|
Polder
Wetering-Oost
|
Polder I
|
950 (deels
ontgonnen)
|
1942
|
1957
|
|
Polder
Wetering-West
|
Polder I
|
685 (deels
ontgonnen)
|
1955
|
n.v.t.
|
|
Polder
Dwarsgracht
|
Polder III
|
?
|
Plan
afgeblazen
Plan
afgeblazen
Nu polder
Gelderingen en Wetering
Nu polder
Giethoorn en Halfwegdiep
In 1925
buiten het werkplan
In 1925
buiten het werkplan
In 1925
buiten het werkplan
In 1925
buiten het werkplan
|
|
Polder
kalenberg
|
Polder I
|
2085
|
|
Polder
Scheerwolde
Beulaker
polder
Polder
Zuidveen
Polder
Roekebos
Belter
polder
Aremberger
polder
|
|
3225
1020
640
2560
620
|
|
Natuurreservaten
|
|
|
|
|
De wieden
|
|
5700
|
1939
|
|
|
De
Weerribben
|
|
3500
|
|
|
In 1925 was het aantal polders al bijgesteld door
de Commissie Stroink. Polder Roekebos, de Belterpolder en de
Aremberger polder vielen buiten de plannen (de meren waren te
zanderig). Bovendien viel Zuidveen ook af. Na verloop van jaren hadden
de natuurreservaten grotegebieden verworven en dat gaat anno
2005 nog steeds door. Polder
Dwarsgracht en Kalenberg werden dus nooit aangelegd!
Maar ook polder Wetering werd maar voor een deel aangelegd.
Anno 2005 heb ik met hulp van allerlei mensen uit dit gebied de balans
eens opgemaakt wat er dus allemaal wèl gerealiseerd is.
Mijn conclusie is “heel veel!” Het voormalige petgaten en
kraggengebied is een bloeiende en zeer moderne landbouweconomie
geworden met een zeer veelzijdige voedselproduktie.
Het is een gebied geworden met een zeer hoge voorzienigheidsgraad op
gebied van natuur, landbouw en recreatie die in Nederland z’n weerga
niet kent.
Voortgang polder werkzaamheden.
De ontwikkeling van de polder had een groot aantal neven effecten.
De Cooperatieve landbouwbank “Steenwijkerwold”
kreeg een groot aantal sterke klanten. goed ontwikkelde boeren
dus, die veel nodig hadden; veevoer, kunstmest, pootgoed,
landbouwmachines, trekkers enz. Het graan ging naar de “Baank”
terug en de melk naar “Ons
Belang” in Tuk of de “Eendracht” in Giethoorn. Dus ook de
fabrieken groeiden. De voorlichting bloeide en veel verenigingen
kwamen tot stand. De polderboeren waren een voorbeeld voor de gehele
streek en trokken de omliggende gebieden mee uit het dal omhoog.
De keuterboeren van toen werden de ondernemers van nu, iets om trots
op te zijn. Het is alleen zaak om wakker te blijven.
Opbrengsten uit de landbouw:
|
Produkt
|
In 1925
|
In 2005
|
|
Melkopbrengst
|
2.000.000
liter
|
28.000.000
liter
|
|
Melkkoeien
|
800 – 1100
|
3400
|
|
Visserij
(400 beroepsvissers en
500 visakten)
|
300 ton
paling
500 ton
witvis
|
12 ton
paling
|
|
Palingteelt 1)
|
-
|
60 ton
|
|
Jacht- en
eendekooien
|
265.0002)
|
|
|
Kippenvlees
|
|
1.280.000 kg
|
|
Kalkoenen
|
|
900.000 kg
|
|
Eieren
|
|
7.000.000
st.
|
|
Hooi-en
bloemendek
|
300.000- (= €
136.363,-)
|
n.v.t.
|
|
Rietteelt
|
80.000
bosjes
|
1.500.000
bosjes 2550 ha
|
|
Turfwinning
|
57 ha
|
-
|
|
Turven
aantal
|
85.500.000
st.
|
-
|
|
Aardappelen,
pootgoed, AVEBE en consumptie
|
-
|
35.350 ton
|
|
Suikerbieten
|
-
|
3300 ton
|
|
Granen
|
-
|
2300 ton
|
|
Boomkwekerij
produkten
|
|
|
|
Rijpaarden
|
|
|
|
|
|
|
|
Inwoners
|
3800
|
6426
|
|
|
|
|
|
Mocht
u in dit artikel gegevens tegenkomen die niet juist zijn, dan
kunt u dit bij mij melden
|
1)
Glasaal in 1995 € 250
en in 2005 € 1150 per kg
2)
bron: WoldIV, 165 ton
export naar Engeland, 7700 eenden per kooi.
Bronnen:
Frans Brandsma – Natuurmonumenten - Lute Bouwer (eigen archief) –
Riethandel Bijkerk -Palingkwekerij “’t Diep” - Gemeente
Steenwijkerland.
INDEX ^
|
|
 | De
kolkenroute van Lute Bouwer (37 km)
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
|
Met deze route kunt u op verschillende plaatsen beginnen.
Tevens zijn in deze route beschrijvingen en interessante punten
aangegeven.
Laten we de route beginnen bij Restaurant “De Weerribben”
aan de Hoogeweg (Kalenberg).
Via de Hoogeweg rijden we naar het Natuur Activiteitencentrum van
Staatsbosbeheer in Ossenzijl (3,9 km).
Daarna gaan we over de volautomatische ophaalbrug van het Ossenzijliger
kanaal. Direct na de brug gaan we rechts, het Breeweersepad op.
Dit pad volgen we tot aan de Hagenbroekweg, waar we linksaf gaan.
Even later ziet u aan de linkerkant een tweetal kolken.
Oorspronkelijk
waren het er drie. Maar tijdens ruilverkavelingen heeft men van twee kleine
kolken een grote gemaakt. Het zand gebruikte menvoor de aanleg van wegen.
Even verder ziet u de “kleine Weerribben”, een door een particulier
gekochte kolk en omgetoverd tot een klein paradijsje (6,7 km) temidden
van deze drie kolken lag vroeger de “Lutkenzijl”, een sluisje tussen
Hoogewegsloot en de Linde.

Dit was een kleine nederzetting met voor zover ik weet ook nog met een
molen..
Wij vervolgen onze weg en slaan aan het einde van de weg
linksaf de Ossenzijligerweg op.
In het dorp Ossenzijl kruist men de drukke recreatievaartroute Friesland
– Kop van Overijssel. Direct door Ossenzijl krijgen we links bij de
begraafplaats opnieuw een grote kolk.Evenals de vorige kolken is ook
deze afkomstig van een dijkdoorbraak in de Zeedijk ”Zuid Wende dijk”
van de Linde (8,9 km)
Wij volgen inmiddels de Kuinreweg of Lageweg en kijken nog even bij een kolk
aan het begin van het fietspad langs de Weerribben.
We pakken onze route weer op
door de Kuinreweg een stukje terug te fietsen om
vervolgens links de Kloosterdijk in te slaan (hier stond na de
Middeleeuwen een klooster). Hier zien we rechts opnieuw een
kolk.
Daarna rijden we de prachtige
Lindedijk op, met links de polder “Rondebroek”
en rechts de Linde.
Aan beide zijden van de Lindedijk zien we weer een paar kolken. Elke
dijkkronkel heeft ook hier vaak een dijkdoorbraak als oorzaak.
Wij arriveren in Kuinre en kijken even rond of er misschien
een kuinderpunter te zien is. Zeker de moeite waard is het
bekijken van de nieuwe sas (=sluis) van Kuinre en de oude waag, nu een
woonhuis en vroeger Gemeentehuis.
De afsluiting van de haven van Kuinre in 1942 (vanwege de Noord Oost
Polder NOP) was rampzalig. Pas in 19 . . . .
kreeg Kuinre de Linde/Tjonger
verbinding waardoor weer iets van de vroegere bedrijvigheid terug
kwam.
We vervolgen onze weg via Boamdijk die even later overgaat in de
Blankenhammerzeedijk.
Hier waren vroeger doorbraken schering en inslag zoals u wel zult
ontdekken...
Een eindje buiten Kuinre zien we de eerste kolk aan onze linkerzijde.
Dit is de ”Antjeskolk” (18,3 km).
Deze kolk ontstond reeds in 1825. Een eindje
verder aan de rechterkant een kolk in de Noord Oost Polder
zijde (19,3 km). Dan weer een paar kolken aan de linkerzijde van de
dijk, waaronder de “Schimmelkolk” (Zwemkolk)
(22,1 km)
Bij de kern van Blankenham kunt u ook even een paar kunstwerken
bewonderen:
 | het
beeld van de drie zeemeeuwen |
 | het
kunstwerk van de broden. |
Direct links van de dijk zien we de NH kerk met
vlak ervoor weer een kolk.
Eens werd de kerk door blikseminslag getroffen en brandde tot de grond
toe af. De brandende torenspits moet volgens overlevering toen in de
kolk gevallen zijn, die volgens insiders bij helder weer nog in het
water is te zien! (misschien is zelfs de torenklok nog wel te horen ???)

Weer een einde verder zien we aan landzijde wederom een paar kolken. Bij
de grootste staat ook het z.g. “hoogwaterkanon”
en kruithuisje.
Bij hoogwater 2,80 m schoot men twee keer Als het water steeg tot drie
meter schoot men drie keer. Als de dijk doorbrak schoot men dan vier
keer
BLEEF MEN SCHIETEN... ? (22,7 km)
Let ook hier weer eens op het prachtige achterliggende landschap.
Intussen gaan we verder de dijk langs, die inmiddels “Blokzijligerdijk”
heet en passeren we links nog een paar “open” kolken en ook enkele reeds
dichtgegroeide kolken.
We verlaten bij Baarlo de dijk links naar beneden.
Baarlo is een zeer oud dorpje dat vroeger zelfs een sluisje heeft gehad.
Het oude kerkhof is er nog steeds en is een bezichtiging meer dan waard.
Als u wilt, kunt u nog even doorrijden naar Blokzijl, een echt Zuiderzee
stadje met prachtige koopmanshuizen, een kruiskerk van de NH Gemeente en
een gezellige bedrijvigheid rond de havenkolk met sluis. Dit mag u
eigenlijk niet missen!
Dan zetten we onze route bij Baarlo voort en verlaten de dijk
met z’n prachtige uitzichten en gaan via
een paar terpboerderijen de Baarlingerweg op en via de “Veldsluisweg”
naar het dorpje Nederland (30,2 km).
De fietser kan hier via het “Kooibomenpad”
naar kalenberg,
waar we via een draaibrug en Kalenbergerpad weer Bij de
Hoogeweg uitkomen.
We kunnen nog even rechtsaf om de kolk aan de Hoogeweg te bekijken.
Kompleet met “spinnekopmolen” is dit een fraaie afsluiting van de
kolkentocht.
U heeft dan al met al zo’n twintig kolken
gezien.
Veel plezier, Lute Bouwer.
INDEX ^
|
|
 |
Wetering
Dorpen
en gehuchten in de Kop van Overijssel.
De Wetering is de simpele
naam voor een waterafvoersloot. Een sloot die in eerste instantie was
gegraven om het overtollige water van het moeras en veenland kwijt te
raken. Later werd het een turfvaart en weer later een scheepvaartroute. Pas
rond 1650 begon de turfgraverij rond Weteringgoed op gang te komen en er
werden vele turfvaarten gegraven. Dat graven ging in fases. De turfkavels
lagen haaks op de Wetering zoals bij een veenkolonie gebruikelijk. De
Weteringers woonden evenals de Gietersen en de Dwarsgachters tot het begin
van de twingtigste eeuw op kaveleilandjes. Wetering betekent water. Vanaf
de dertiende eeuw af is men al begonnen te graven met de Wetering, die men
in eerste instantie de Scherwoldiger Weteringe (1564) noemde.Toen men in
1568 de Arembergergracht klaar had, sloot men die via het Giethoornse Meer
en Riete aan op de Wetering. De Wetering werd daarom in 1573 aanmerkelijk
verbreed en uitgediept. Men wilde eest de vaarroute naar Friesland via de
paar meter brede Hoogewegsloot laten lopen, maar daar kwam men later op
terug. Ondertussen was nu ook het Steenwijkerdiep in 1632 gereedgekomen en
er was zo zachtjes aan een druk water verkeer ontstaan. Dat was voor de
deels verspreid wonende Scheerwoldigers een reden om aan de vaart te gaan
wonen en van daaruit hun veenderijwerkzaamheden voort te zetten.
Ondertussen waren er ook vele "vremden"
komen wonen en het aantal beroepen had zich uitgebreid met boeren, vissers
en timmerlieden. Ten tijde van de veenderij is Wetering dus ontstaan, maar
een school was er nog niet. De kinderen moesten in Muggenbeet of Nederland
naar school. De kinderen van Noord gingen naar Nederland en die in Zuid
naar Muggenbeet. Soms gingen ze maandenlang niet naar school omdat water in
in de regenmaanden veel te hoog stond. Trouwens als er werk aan de winkel
was hield men de kinderen domweg thuis. Brood op de plank dat was het
belangrijkste toendertijd. Nou was de Wetering in de zomer drukker dan in
de winter, want vele families trokken in de winter naar de Hoogeweg waar
men de kost verdiende met rietsnijden. Als er in het voorjaar weer in de
veenderij gewerkt kon worden, trok men weer terug op de Wetering aan. De
behuizing stelde in die tijd niet veel voor, eenvoudige veenhutten of keten
daar namen de veenarbeiders genoegen mee. Die keten kon je op een vlot
verplaatsen. Op de landkaarten komen deze simpele hutten dan meestal ook
niet voor. Tegen achtien honderd begon de veen al op te raken en veel
veenbazen en turfmakers trokken toen weg. Namen als Hendriks, Harmens,
Koops, Jochems en Roelofs trokken toen al naar Friesland om daar hun
geluk te beproeven. Het werd er daarom ook niet beter op en er brak een
tijd aan van bittere armoede. De Watersnood van 1825 betekende in Wetering
het einde van veel woonhuizen. De Weteringers hadden geluk, want te tijde
van de ramp lag net beurtvaarder Hendrik ten Heuvel met zijn schip in
Wetering. Hij was op weg naar Amsterdam maar kon vanwege de ramp niet
verder varen. Hij redde met zijn schip 150 mensen van Wetering. Het water
stond twee en halve meter hoog en men kam van alles tegen op het water;
huizen, molens, koeien, schapen, meubelen, landbouwgereedschap en bomen van
wel een halve meter doorsnede. In het eind van de
negentiende eeuw kreeg je een omschakeling van veenderij op de
veehouderij, rietteelt en visserij in Wetering en Nederland. Dat
viel natuurlijk niet mee, want
zoveel weiland was er na een paar honderd jaar vervenen, niet meer over.
Een keuterboer stelde in die tijd niet zo veel voor, een paar koeien en een
geit dat was het wel zo"n beetje.
Andere tijden
In Wetering was er tot 1840
alleen maar waterverkeer mogelijk en er woonden toen 540 mensen. In dat
jaar kwam er namelijk een voetpad verbinding van Eind van Diep met
Muggenbeet gereed. Rond 1855 staan er toch weer zo"n kleine veertig
huizen aan de Wetering; 18 bij Eind van Diep Zuidgracht en 11 aan de
kruising Noordgracht Wetering. Om dat mogelijk te maken moest men een
opgehoogd pad maken dwars door de Oude Aa vallei ( tot 1550 oude vaarweg ).
De rest van Wetering was toen nog lang niet aan de beurt en die moesten dus
nog altijd per boot. Het zou nog tot 1894 duren voordat er een voetpad
langs de Wetering kwam. Jarenlang getouwtrek was daar aan vooraf gegaan. In
1893 trok men deze verbinding door tot Blokzijl en in 1903 kreeg Wetering
zijn verbinding met Nederland. In 1921 kwam er een fietspadverbinding met
Steenwijk en zo was Wetering uit zijn fietsisolement. In 1898 richten de
boeren de coöperatieve zuivelfabriek 'De Goede Verwachting" op, die
tot 1921 actief zou blijven. Verder werd er in 1881 een school geopend en
in1909 een Evangelisatielokaal gebouwd. Ondertussen was het super druk op
het water geworden, want in
1910 passeerden er in Eind van Diep 2040 grote zeilschepen, 1714
stoomboten, 153 vlotten met turf, 193 punters en 277 bokken. Al deze boten
betaalde hun tol aan de reeds eeuwen bestaande tol aan Eind van Diep. De
beurtvaartschepen Major en Minor vervulden in de jaren 1897-1946 een
sleutelrol in het personen en goederen vervoer van en naar Steenwijk,
Blokzijl en Ossenzijl. Zo rond 1920 had.Weteing een aantal woningen wat net
zo groot was als nu . Ook staan er dan een achttal deels Spinnekop
watermolens Toen in 1932 de
provincie het Steenwijker Dieptol overnam werd de tol al vrij snel
opgeheven. Dat was daar ook de drukste plaats van het dorp, want sinds het
gereed komen van het fietspad was daar ook de pont van Bertus Timmerman,
alias Bertus van de Pont. Daarvoor werden de mensen met een gewone punter
over gezet. In Wetering waren ze eerst fel tegen de bemaling van het gebied
door het Stroïnkgemaal. Toen het gemaal in 1920 ging werken was dat een
ramp voor de vele beroepsvissers, want 70 centimeter minder water was niet
niks. Toen in er in de dertiger jaren ook nog de onderbemaling vande
Weteringse polders bijkwam viel ook de rietteelt terug. Tijdens de
oorlogsjaren speelde Bertus een belangrijke rol in het verzet. Tijdens de
oorlogsjaren werden er een drietal werkkampen geplaatst nabij Wetering van
waar uit de werklozen de ontginning van de polders Wetering West en
Wetering Oost ter hand zouden nemen. Dat is maar ten dele geslaagd want in
1968 stopte men met het ontginnen en geen van beide polders is dan ook
gereed gekomen. Bij de inundatie in1944-1945 stond Wetering nog eens
helemaal onder water en moesten de erven worden bedijkt en worden
drooggepompt, soms met een tonmolen. Alle ijs was die winter betrouwbaar en
de melk ging ''overies'' naar
Blokzijl. Zelfs was er nog een begravenis overies. Al voor de oorlog was
men bezig met het trace van de weg Steenwijk-Blokzijl. In1943-1944 werd
daarvoor het cunet gebaggerd, het zand voor de weg kwam uit het Giethoornse
Meer. De baggermachines werden door de Gallieerden regelmatig beschoten. In
1951 kwam de Nieuwe weg helemaal gereed en een jaar later werd de weg
officieel in gebruik genomen en was de pontbaas zijn werk ook kwijt. De
Wetering had in 1941 reeds een
gemaal met drie pompen gekregen om beide polders te kunnen bemalen waar
Jaap de Ruiter de baas werd. In 1939/40 begon men al met het zandlichaam
voor de weg achter Wetering Oost. “Hierbij maakte men gebruik van een
zandzuiger”, aldus Nico Dijksma. Nico
tekende ook voor het bagger en zuigerwerk van Wetring West in 1952/53, het
zandlichaam van het fietspad Wetering -Kalenberg en de tochten van Wetering
West. Ondertussen was er in 1958 al een straatweg aangelegd in polder
Wetering West en kwam er in 1959 een tweede brug over de Wetering. In 1951
werd in Wetering met een groot aantal vrijwilligers een dorpshuis gebouwd,
waar ik in 1957 mijn vrouw tegen kwam bij een uitvoering van de Gimos. In
die tijd waren er in Wetering nog drie kerkjes in gebruik; het
Gereformeerde locaal, het Nederlands Hervormde locaal en het Doopsgezinde
locaal. In 1954-1965 vond de uittocht van de boeren plaats, een kleine
twintig agrariers vonden een plaatsje in een van de polders. Voor de rest
van de bewoners werd de streekverbetering opgezet die vele positieve
veranderingen teweeg bracht. Huishoudelijke mechanisatie en modernisatie
brachtten de vrouwen heel wat verlichting. In 1961 nam Henk Bruinenberg er
de succes film op "Wij in Steenwijkerwold",
een film waar nog altijd veel vraag naar is. Ook werd in die tijd
een kunstmatig, acht hektare groot en twintig meter diep meer, aangelegd.
Het zand ging onder andere naar de weg Wetering-Scheerwolde. Het meer kreeg
de naam “Het Diepe Wiede".
Anno 2006 bestaan er voor
dit gebied grootse plannen. In de polders Wetering West en Oost zal een
groot gebied opnieuw onder water worden gezet en zal verder gaan als
natuurgeied. Bij Eind van Diep zal een groot recreatie meer, het ''Scheere
Meer", verschijnen
met woningen, jachthaven, strand enz., wat voor veel mensen werk kan
betekenen.
School Muggenbeet in gebruik van ca 1650-1881
School Nederland in gebruik van
1774-1899
School Wetering in gebruik van
!881-1997
Polder Wetering Oost, groot 980 hektare, 1942-1972
Polder Wetering West, groot 730 hektare, 1952-1972
Bronnen en archieven
Archief Lute Bouwer
Boeken Wold 1, 2, 3, 4 van Lute Bouwer
De tijd verteld van Henk Bruinenberg
Wij in Steenwijkerwold van Henk Bruinenberg
Rond de Ribben van Lute Bouwer
Langs de diek van Lute Bouwer
Waternamen in Noord West Overijssel van Joop van der Tuin.
Armenvoogdij van Scheerwolde van Jan Bakker
Muggenbeet, Eind van Diep en Wetering van Freerk Smit
Aanvullende Infomatie kunt u kwijt bij Lute Bouwer 0521-5888351
of E- mail luteenroelie@hetnet.nl
INDEX ^
|
|
 | Thij
HET OUDSTE DORP IN DE KOP VAN OVERIJSSEL.
Thij, Tij, Het IJ, de Thije, T-ij, Theij, De Tije of Thij is het
oudste buurtschap van de gemeente Steenwijkerland.
Ooit woonden in Thij de zogenaamde Thijmannen.
Thijmannen waren mannen die deskundig waren op het gebied van
“waterstaatszaken”. Zij hielden zich in hoofdzaak bezig met het
getij, de waterstand.
De nul N.A.P. (Nieuw Amsterdams Pijl) lijn loopt nu voor een gedeelte
ten westen van de Thijlingerhof. Vanaf Thij, Steenwijkerwold en
Paasloo trokken de eerste mensen het laagliggende moerasgebied in en
legden daar later dijken aan waarop de wegen kwamen te liggen. Deze
dijken waren dus geen waterkeringen maar verhoogde wegen. De eerste
inwoners van Thij vestigden zich aan het riviertje de Reune die in die
tijd nog veel breder was. Het is waarschijnlijk dat al rond 700 het
Christelijk geloof werd gepredikt in Thij, omdat de mensen van ’t
Wold toen al gewoon waren om hier in Thij bij elkaar te konen. Ook
Steenwijk stuurde afgevaardigden (sworens) naar deze vergaderingen.
De vruchtbare leemkampen leverden door de jaren heen een
belangrijk aandeel in de voedselproductie van Steenwijkerwold en
omgeving.
In de 12e eeuw was Thij de hoofdzetel van de
Marke van Steenwijkerwold. Het eerste huis van de Marke was Het Hooge
Huys, hier hield de landrost van de bisschop in Utrecht vanaf 1285
regelmatig zitting.
Vanuit Thij ontwikkelden zich later de wat hoger gelegen
buurtschappen Kerkbuurt en Gelderingen. In en om Thij waren rond 1500
al een groot aantal boerenhoeves te vinden van vooraanstaande boeren.
Ook ontwikkelde zich in Thij een behoorlijk krachtige middenstand.
Anno 1832 waren er in Thij een timmerman, twaalf boeren,
twee directeuren en een wijkmeester van de Maatschappij van
Weldadigheid, een kuiper, een kleermaker, twee schoenmakers, twee
kooplieden, drie smeden, twee bakkers en een arbeider.
Anno 1900 waren er in Thij een maalderij, zuivelfabriek,
karnerij, slagerij, houtzagerij, klompenmakerij, voerman, een drietal
kruideniers, een tweetal smeden, timmerbedrijf en wagenmaker. Ook
woonden er in Thij een aantal vooraanstaande burgers, die in Steenwijk
een hoge functie hadden, zoals Mr. Zicher ter Steghe. Die schreef
“Dat Koerboek der stadt Steiwijck” in1579.
Hierin kent het stadsbestuuro.a. de schoolmeester het recht toe
om de aan zijn zorgen toevertrouwde kinderen zonodig te straffen.
Citaat Älhoewel die olders hoie kinderen, een man syn wyff, een
schoelmeester syn discipulen ende ambachtsmeister syn leerjongen
moderattelick moegen corrigeren…”. Steenwijk had waarschijnlijkal
in 1295 een kapittelschool. In 1563 Was Wilhelmus van Tije daar rector
(hoofdmeester) van.
Thij is geheel omgeven door leemrijke en vruchtbare
stuwwallen door de bevolking “Kaampen” genoemd. Vroeger werden
deze hoge kampen in hoofdzaak gebruikt voor de akkerbouw met als
hoofdgewassen rogge, haver, aardappelen en voederbieten (mangels).
Op deze leemkampen kan men ook eerste klas groenten
verbouwen, die veel beter zijn dan de groenten en aardappelen en van
de zand en veengronden.
Ooit Hunebedden
op ’t Wold?
Ik acht het niet onmogelijk dat ook ergens nog een Hunebed
of Steenkist heeft gelegen. In deze contreien kwam ik ergens de
perceelsnaam “Vasel ofte Tafel Stuk” tegen en dat is de naam van
een bovendeel van een Hunebed. Hier te lande werden wel veldkeien
gevonden tot 10.000 kilo, dus de materialen waren er wel. Ook de
Hunebed bouwers dwaalden hier rond. De vele vondsten van
gebruiksvoorwerpen uit die tijd voedden mijn vermoeden, dat dit gebied
zeer oud moest zijn. Intussen zijn die vermoedens ook bewezen. En ik
heb al heel vaak gelijk gekregen. In Havelte zijn nog Hunebedden en op
De Eese was er een. In Drenthe, Gelderland en Friesland waren er
totaal tot nu toe 76, waarvan er 54 nog bestaan. Alles in Steenwijkerwold
en Steenwijk wat van steen
was is in de loop der jaren afgevoerd via Steenwijkerdiep of Aa. De
stenen werden gebruikt voor de kustverdediging. Honderden
scheepsladingen moeten dat geweest zijn.
1835 werden er 5000 lasten aan stenen afgevoerd. Vooral na het
gereedkomen van het Steenwijkerdiep in 1636 was er een nog grotere
diepgang mogelijk en men kon grotere schepen laden.
Saksische cultuur
Thij, Steenwijkerwold, Basse enz. waren dorpen met een
Saksische cultuur en Saksische boerderijen. De Saksen drongen in
verschillende golven onze contreien binnen en verdreven rond 400 de
Romeinen. Ze namen de aarden potten cultuur mee, maar ook de
steelpannen. In de 7e, 8e en 11e eeuw
kwamen er nog meer Saksen deze kant op. Zij brachten de foekepot,
paasvuren en midwinterhoorn mee. Weer later kwamen de Duitse
Hannekemaaiers ons helpen met de grasoogst en in de veenderij. Nog al
wat Steenwijkerwoldigers stammen uit die tijd.
Saksen kan men typeren als: vriendelijk, achterdochtig,
nieuwsgierig, min of meer ruig, zelfstandig, hard werkende en
onafhankelijk.
Het vee liep in de “woerthen”en verder in, de
toen nog natte veenpolders, “het Lege” genoemd, wat nu polder
Gelderingen is. De Hesselingendijk, Gelderingendijk , Thijendijk en
Hooidijk maakten deze gebieden toegankelijk. De Woldakkers lagen aan
de Woldlakeweg.
De Reune
Een riviertje noemde men vroeger Aa, wat water
betekent. De beken noemde men Rune wat later Rene werd. Dit woord van
Saksische oorsprong wil zeggen”vereniging of samenvloeien van water
Reune betekent water. Daarom zeiden
Steenwijkerwoldigers tegen elk stroompje Reune. Elk beekje in of rond
Steenwijkerwold heeft een naam. Zo liep de sterk slingerende Reune
vroeger vanaf De Woldberg, ten noorden van Bergstein langs, via
Kwikkels en Thij naar de Haarsloot. De Reune had toen nog een verval
van 26 meter en een lengte van circa 10 kilometer en was in de winter,
bij de onderloop, wel 8 meter breed. Toen in 1868 de spoorlijn Zwolle
- Leeuwarden gereed kwam werd de bovenloop van de Reune afgesneden van
de rest. Het beekje werd enige kilometers korter en het verval 10
meter kleiner. In de vijftigerjaren werd de Reune een geregulariseerde
beek en voorzien van een stenen talud. Door het recht trekken van de
Reune werd de lengte nog korter en verdween had karakter van een
wildstromende beek. De beek was een van de snelst stromende beekjes in
Nederland.
De Reune was het kernriviertje waaraan zich de
eerste bewoners van dit gebied vestigden.
In de twaalfde eeuw woonden er al mensen na bij
de Reune. Ook waren er toen in Thij al marke vergaderingen waar
belangrijke mensen uit de hele omgeving aanwezig waren.
Daar bij de oversteekplaats van de Reune ontstond
dus Thij. Soms stroomde er zoveel water door de Reune dat het
riviertje maar moeilijk overgestoken kon worden. Dat was voor de
bewoners van Steenwijkerwold een van de redenen om in 1285 een
aanvraag in te dienen om een eerste kerk te mogen bouwen op de hoogte
bij Thij, waar hij anno 2009 nog staat.
In Thij woonden de Thijmannen, mensen die
waarschijnlijk iets van doen hadden met de waterstanden in het gebied.
De waterstanden in het lagerliggende gebied waren erg belangrijk omdat
er sinds 1170 Friezen waren komen wonen in het lage gebied. De Friezen
waren verdreven uit het overstroomde Friese Zuiderzeegebied. De
bewoners van Thij hebben daar zeker mee te maken gehad omdat ze deze
mensen liefelijk hebben ontvangen.
Volgens andere bronnen zou Tije de vroegere naam
geweest zijn voor de huidige Reune.
Het zou te maken kunnen hebben met het Duitse
tijgen = water onttrekken aan omliggend gebied. Misschien waren de
mensen uit Thij wel een soort schouwers.
Oorlog
rond het Wold
Rond het Wold hebben zich heel wat oorlogen en
schermutselingen voorgedaan.
Wij kunnen dat zo’n beetje volgen sinds de 11e
eeuw. Vanaf die tijd kreeg de bisschop van Utrecht het hier voor het
zeggen. De bisschop kreeg ons gebied in leen van de Duitse keizer Otto
I. Die was keizer van het zg. Roomse Rijk wat zich na de Romeinse tijd
ontwikkelde.
Hier in de Kop van Overijssel zaten we net tussen
de bisschop en de Friezen en dat had veel kibbelarijen ten gevolge.
Meer dan
500 jaar gesteggel om de Kop van Overijssel.
Van 26 november 944 tot 1504 waren in onze
contreien schermutselingen en soms complete oorlogen tussen de
oorspronkelijke bewoners, de Stellingwervers en de bisschop van
Utrecht.
Op papier kreeg bisschop Balderik van Utrecht in
944 alleen het jachtrecht in het woud van Fulnaho. De nadruk viel op
vissen en jacht, maar hield tevens in gebruiksrecht van de woeste
grond en van het water. Dat was tevens het begin van het conflict
tussen de bisschop en de Stellingwervers die in het gebied woonden en
werkten. De kern van de Stellingwerven lag op de hoge gronden tussen
Linde en Steenwijker Aa. Het kerkdorp Silleham (nu IJsselham) had al
in 1132 een eigen kapelletje van de abdij van Sint Adolphus van
Stavoren. Daar gelegen aan een oude veenstroom (De Beke, een oude tak
van de Linde) hadden ze verbinding met Baarlo en Muggenbeet. Ook
hadden de Stellingwerver ondernemers in 1165 al de nodige contracten.
In deze “foreest” stichtte de bisschop door
de stichting van Steenwijk een machtscentrum. Foreest is een
oud-vaderlands rechtsbegrip ter aanduiding van een gebied met bossen,
boerenerven en landerijen, waarin de jacht alleen aan de keizer,
koning, bisschop of graaf toekomt. De bisschop was dus in feite een
indringer in de “Oud Stellingwerven” in de Kop van Overijssel. Om
zich goed te kunnen handhaven bouwde bisschop Godfried van Rhenen in
1165 een versterking in Vollenhove, de dwangburcht “Huys te Vollenho”,
later ook wel “Olde Huys”genoemd. Herhaaldelijk trokken de
Stellingwervers hier tegen ten strijde, wat zij het toppunt van
Utrechtse invloed vonden. Ook in Thij liet bisschop Guido van Avesnes
in 1309 een versterking bouwen, die de Stellingwervers prompt met de
grond gelijk maakten. Dat wilden ze ook doen met de vesting Vollenhove,
maar dat mislukte.
Dat was ook geen wonder, want nog in 1323 noemt
men in de Willekeur de Zeven Vrije Frieze Zeelanden, te weten
Stellingwerf, Schoterwerf, Giethoorn, Vollenhove, Steenwijk en geheel
Drenthe. Pas in 1504 komt daar officieel een einde aan.
Enige jaartallen.
1309 –
Thij –.In 1311 werd de bisschoppelijke versterking van Guido van
Avesnes in Thij met de grond gelijk gemaakt. De Stellingwervers dulden
niet een versterking in hun invloedsgebied. Zie ook in het boek ’t
Wold III, pag. 126 van
Lute Bouwer
.
1309 –
Steenwijkerwold. Als onderdeel van de schadevergoeding van de
Stellingwervers aan de bisschop wordt Steenwijkerwold aan de bisschop
overgedragen.
1358 –
Steenwijk. In dit jaar kreeg de stad Steenwijk het recht om een
drietal markten te houden en ook werd er toen al gesproken over wallen
en grachten.
Stadsgrachten.
Het hoog gelegen Steenwijk lag in een drassige
omgeving en was dus van nature goed verdedigbaar. Toen de stad echter
verschillende invallen en plunderingen had ondergaan, bleek een
omwalling alleen niet afdoende. Er werden plannen gemaakt om
stadsgrachten te graven. Met schop en kruiwagen werd de hoge
keileemgrond afgegraven tot onder het maaiveld. Dit moet werkelijk een
heidens karwei zijn geweest. Van de afgegraven grond werden wallen
gemaakt, waarop een eikenhouten borstwering werd gebouwd. De grachten
moest men voortduren bijhouden, zodat de vijand de gracht niet zomaar
kon doorwaden.
1361-
Steenwijkerwold. De bisschop laat zijn gezag gelden in
Steenwijkerwold en
Stellingwerf en wij krijgen het er stevig voor langs. De bisschop
beschouwde ons als rebellen en wij werden bloedig onderdrukt.
Steenwijkerwold wordt opzettelijk plat gebrand, geen leuke man dus,
die bisschop.
1413-
Steenwijk en Steenwijkerwold. De Friezen doen opnieuw een aanval
op bisschoppelijk gebied. Steenwijker vestingwerken worden onklaar
gemaakt en de stad werd in brand gestoken (ging toen nog gemakkelijk
want alle huizen waren toen nog van hout) Ook de Eese werd vernield
(zie ook Wold IV van
Lute Bouwer
). Vanaf dit jaartal spreekt men over vestingwerken. In eerste
instantie ging dat om een vestingwal van zand en leem, later kwam daar
een gracht bij.
Bijzonderheden
in en om Thij
 | Watertoren |
 | Bekende
hoeve’s in en om Thij zijn:“Ter Helle”, “Ter Stege”, “Kwikkelo”,
“Ooster en Wester Heringhe”, ‘Thijlingerhof”,
“Kistenmakers”, “Ten Thije”, “De Tieterick of Teteric”
om er maar eens enkele te noemen. |
 | Edelhertenboerderij
“De Toevlucht” |
 | Sporthal
SV Steenwijkerwold |
 | Wielercircuit
met provinciale en landelijke wielerkampioenschappen |
 | HoogThij
multifunctioneel centrum |
 | Uitzichtpunten
vanaf Thijlingerhof, Het Blik en Geert Mosweg |
 | Beekje
De Reine |
Streekproducten Thij
Klanten komen soms van verre om onderstaande
heerlijkheden te halen bij Slagerij
Bouma .
* Woldse meisjes, filet met bacon en roomkaas
* Woldse stammetjes
* Woldse Bijltjes, gegrilde en gemarineerde schouderkarbonade
* Woldse rookworst met eigen Thijs aroma
* Woldse balkenbrij en
leverworst met Thijs aroma
* Complete serie van 10
streekboeken, waarvan er vijf over oud en nieuw Steenwijkerwold gaan
.
Dit zijn de boeken Wold I (uitverkocht), II, III, IV en V, allemaal
geschreven door Lute R. Bouwer, verkrijgbaar bij alle middenstanders
van Steenwijkerland.
INDEX ^
|
|
|